Thema 1
Hoofdstuk 1 Kennismaken met overheidsfinanciën
Doelstellingen dit hoofdstuk:
- Hoe economen naar de overheidsfinanciën kijken
- Welke instellingen onderdeel van de overheid zijn
- Waarom de overheid zich bemoeit met de gang van zaken in de economie
- Hoe het denken over de rol van de overheid in de afgelopen eeuw is veranderd
- Dat overheidsingrijpen in de economie zijn eigen problemen met zich meebrengt
- Waarom de invloed van de overheid op de economie grenzen kent
§1.1 Inleiding
Producenten van goederen en diensten zijn actief in de marktsector of zij zijn onderdeel van
de collectieve sector. De collectieve sector omvat alle overheidsinstellingen.
De overheid bemoeit zich intensief met ons dagelijks leven en de gang van zaken in de
economie. Dit overheidsingrijpen vervult 4 functies:
1. Allocatie
2. Stabilisatie
3. Verdeling
4. Coördinatie
De macht van de Nederlandse overheid is begrensd door nationale wetten, internationale
verdragen, gedragsreacties van bedrijven en burgers, en beleidsconcurrentie met andere
landen. Tevens stuit het op praktische zaken en is de kijk op de rol van de overheid veranderd.
§1.2 Marktsector en collectieve sector
In Nederland omvat de marktsector 1,5 miljoen bedrijven die winst willen maken. Daarnaast
omvat de marktsector enkele honderdduizenden niet-winstbeogende stichtingen en
verenigingen (zoals kerkgenootschappen en organisaties t.b.v. natuurbescherming).
De collectieve sector telt ruim vierduizend instellingen, waaronder de ministeries in Den
Haag en de gemeenten. Het valt volledig samen met de sector overheid uit de nationale
rekeningen. In deze ‘boekhouding van Nederland’ registreert het CBS alle economische
activiteiten in ons land waarbij geld en goederen tegen elkaar worden geruild.
Overheidsinstellingen financieren hun activiteiten maar beperkt door goederen en diensten te
verkopen. Door in verhouding geringe verkoopopbrengsten en bij afwezigheid van vrijwillige
bijdragen moet de overheid haar uitgaven op een andere manier financieren. Dat gebeurt door
belastingen te heffen. De hoogte van deze gedwongen bijdragen aan de overheid staat los
van het individuele profijt dat bedrijven en huishoudens van overheidsvoorzieningen hebben.
(Groot verschil met een winkel; daar reken je alleen af wat je koopt: prijs en profijt vallen
samen)
,Sub-sectoren van de overheid:
1. De centrale overheid
a. Rijksoverheid en overige centrale overheid (universiteiten)
2. Decentrale overheden
a. 342 Gemeenten
b. 12 Provincies
c. 21 Waterschappen
d. Gemeenschappelijke regelingen
e. Overige lokale overheid, zoals collectief bekostigd niet-universitair onderwijs.
3. De sociale fondsen (totaal 11 sociale fondsen)
a. Ouderdomsfonds (AOW)
b. Zorgverzekeringsfonds (basisverzekering tegen ziektekosten)
c. Uitkeringen aan werkelozen (WW)
d. Arbeidsongeschikten (WAO/WIA)
De centrale overheid vormt de hoogste bestuurslaag. Dit zijn de ministeries in Den Haag en
hun uitvoeringsorganisaties (zoals Waterstaat en de Belastingdienst). De EU is een
bovennationale organisatie en vormt geen onderdeel van de Nederlandse overheid.
De Rijksoverheid concentreert zich op taken die het hele land raken, zoals nationale defensie
en buitenlandse betrekkingen.
De meeste sociale premies worden geïnd door de Belastingdienst, maar lopen niet via de
Rijksbegroting. Deze worden meteen door geboekt naar de fondsen.
§1.3 Overheidsingrijpen in de economie
§1.3.1 Brede welvaart
Welvaartsverdeling Verdeling van brede welvaart ‘hier en nu’, de houdbaarheid van de
welvaart voor toekomstige generaties (later) en de welvaart in andere landen (elders)
Volgens de Monitor Brede Welvaart is de kwaliteit van het leven in Nederland hier en nu
hoog. Veel trends bij arbeid en inkomen wijzen op een stijgende kwaliteit van het leven.
Zowel objectieve indicatoren (werkeloosheid, besteedbaar inkomen) als belevingsindicatoren
(tevredenheid met je baan) ontwikkelen zich gunstig. De keerzijde is de door ondervraagde
werknemers genoemde toenemende psychische vermoeidheid door hun baan en afnemende
tevredenheid met de beschikbare hoeveelheid vrije tijd.
Hoewel de economie en het energieverbruik geleidelijk duurzamer worden, slinkt het
natuurlijk kapitaal. Biodiversiteit en de kwaliteit van het oppervlaktewater gaan hard
achteruit. De kwaliteit van het samenleven staat eveneens onder druk. Dit sociaal kapitaal
blijkt uit meedoen in de samenleving, deelnemen aan verenigingsactiviteiten, verrichten van
vrijwilligerswerk, en goede contacten met familie, vrienden en buren.
§1.3.2 De overheid als democratische ‘dwingeland’
Om de brede maatschappelijke welvaart te kunnen vergroten dwingt de overheid burgers en
bedrijven belastingen af te dragen voor de financiering van collectief georganiseerde
voorzieningen: de rechtspraak, het openbaar bestuur, onderwijs, zorg en meer. Ook is
iedereen verplicht zich te houden aan wetten en regels.
,Via haar bestedingen, belastingen en regels heeft de overheid dus grote invloed op de
economie en hoe die zich ontwikkelt. Omgekeerd heeft de stand van de economie forse
invloed op de overheidsfinanciën:
- In goede tijden is de belastingopbrengst hoger en is minder geld nodig voor
uitkeringen.
o Hoge productie
o Volledige werkgelegenheid
o Uitbundige consumptie
- In minder goede tijden vallen de belastingopbrengsten tegen en is er meer geld nodig
voor sociale uitkeringen.
De overheid bemoeit zich vooral intensief met de gang van zaken in de economie omdat de
vrije werking van vraag en aanbod op markten (het prijsmechanisme) voor de samenleving
lang niet altijd de beste uitkomsten oplevert.
- Productie en consumptie van de meeste goederen en diensten dragen bij aan de
opwarming van de aarde.
De overheid produceert veel goederen en diensten zelf, zoals veiligheid (politie, defensie),
openbaar bestuur en toezicht op de kwaliteit van bijvoorbeeld de zorg en onderwijs door
inspecties. In andere gevallen vindt de productie plaats door derden, maar neemt de overheid
de bekostiging volledig voor haar rekening. BV de aanleg van wegen door particuliere
aannemers. Een variant is dat de overheid de productie van goederen en diensten gedeeltelijk
bekostigd door subsidie te geven aan niet-winstbeogende instellingen, zoals orkesten en
theatergezelschappen.
Onze volksvertegenwoordiging in de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer), Provinciale
Staten en de Gemeenteraad controleren de uitvoering van het overheidsbeleid.
§1.3.3 Overheidsingrijpen: vier functies
Overheidsingrijpen in de economie heeft drie functies:
1. Allocatie (beïnvloeding van de samenstelling van productie en consumptie)
2. Stabilisatie van schommelingen in de economische bedrijvigheid (conjunctuur)
3. Herverdeling van inkomens en vermogens
4. Coördinatiefunctie
, §1.4 Wisselende kijk op de rol van de overheid
Keynes: actief conjunctuurbeleid
John Maynard Keynes beargumenteerd in 1936 dat actief overheidsingrijpen via ruim
begrotingsbeleid nodig kan zijn om de economie uit het dal te stimuleren. In de gouden jaren
is het idee dat de overheid de economische ontwikkelingen met gerichte (discretionaire)
maatregelen kan sturen. Tijdens een recessie stimuleren overheden de bestedingen
(consumptie van huishoudens en bedrijfsinvesteringen) met als gevolg een groter tekort op de
begroting, terwijl zij geacht worden via een begrotingsoverschot de economie af te remmen
wanneer deze oververhit dreigt te raken.
Stagflatie = een combinatie van hoge inflatie en hoge werkeloosheid
Monetaristen willen de inflatie bestrijden door de hoeveelheid geld in omloop te
verminderen. Terwijl de Keynesianen vooral oog hebben voor de vraagkant van de economie
– het beïnvloeden van de bestedingen – wijzen aanbodeconomieën op problemen aan de
aanbodkant.
De monetarist Friedman wees erop dat, als dergelijke structurele tekortkomingen niet worden
aangepakt, een stimulerend beleid van de overheid de inflatie opstuwt zonder dat de productie
stijgt en de werkeloosheid daalt.
Om koopkrachtverlies binnen de perken te houden schroeven werknemers hun looneisen op.
Slagen bedrijven er vervolgens in de gestegen arbeidskosten weer door te berekenen in hun
afzetprijzen, dan kan een loon-prijsspiraal ontstaan.
Een loon-prijsspiraal kan ontstaan als gestegen loonkosten per product worden
doorberekend in de prijzen, en de aldus ontstane hogere prijzen op hun beurt weer tot
hogere looneisen leiden.
§1.5 Overheidsingrijpen: tekortkomingen
1. Ontbrekende marktsignalen
a. Politici proberen wetgeving en het aanbod van collectief gefinancierde
voorzieningen op een evenwichtige manier af te stemmen op de voorkeuren
van de bevolking. Hierbij kampen ze met informatietekorten.
b. Op basis van het Budgetrecht stellen politici aan het ambtenarenapparaat en
zijn politieke top een bepaald budget ter beschikking. Dit budget geeft aan
hoeveel max voor in de jaarlijkse begroting aangewezen bestemmingen mag
worden uitgegeven.
c. Informatietekorten over de door burgers gewenste omvang en samenstelling
van overheidsvoorzieningen maken het moeilijk het beleid snel aan gewijzigde
voorkeuren aan te passen.
2. Welke marktuitkomsten corrigeren?
a. Ondanks informatietekorten moeten politici en hun ambtenaren beslissen
welke marktimperfecties zij via overheidsingrijpen willen corrigeren. Daarbij
moeten zij voor- en nadelen van ingrijpen in de markt tegen elkaar afwegen.
Dit laat ruimte voor uiteenlopende visies.
b. Een extra complicatie is dat de overheid tegenstrijdige doelstellingen nastreeft,
waartussen onvermijdelijk spanning ontstaat. Beleidsinconsistenties komen
scherp aan het licht wanneer bij de besluitvorming betrokken partijen
verschillend denken over het belang van diverse doelstellingen.