Leerdoelen
● de verschillende causaliteitstheorieën;
● de geldende causaliteitscriteria;
● wederrechtelijkheid als element en als bestanddeel;
● de verschillende verschijningsvormen van wederrechtelijkheid als bestanddeel;
● de leer van de facetwederrechtelijkheid;
● de invulling van de wederrechtelijkheid in de jurisprudentie;
● de invulling die wordt gegeven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’ in de
rechtspraak.
Causaliteit
Causaliteit betreft de vraag naar de relatie tussen een strafrechtelijk relevante gedraging en
een strafrechtelijk relevant gevolg.
Causaliteitstheorieën
1. Conditio Sine Qua Non (CSQN): het gedrag moet een onmisbare, noodzakelijke
voorwaarde voor het gevolg zijn geweest. Er is geen juridische causaliteit wanneer
aannemelijk zou zijn dat het gevolg ook zonder het gedrag zou zijn ingetreden.
2. Causa proxima-theorie: kiest de naaste, dichtstbijzijnde oorzaak als de juridisch
relevante oorzaak.
3. Relevantietheorie: selecteert binnen de onmisbare voorwaarden voor het intreden
van het gevolg de oorzaak die in de optiek van de wetgever voor het delict in kwestie
als de meest relevante geldt.
4. Adequatietheorie: De voorzienbaarheid voor de verdachte van (de kans op) een
bepaald gevolg staat centraal.
Deze klassieke causaliteitstheorieën worden niet meer strikt toegepast in het huidige
materiële strafrecht in Nederland, omdat ze elk op zichzelf onvoldoende rekening houden
met alle relevante omstandigheden van een strafzaak.
TOETSINGSKADER CAUSALITEIT
Als criterium voor strafrechtelijke causaliteit hanteert de Hoge Raad ‘de redelijke
toerekening’. Stappenplan voor het vaststellen van de causaliteit:
1. De toepasselijke causaliteitsleer is die van de redelijke toerekening (HR: Haarlemse
doodslag, Niet behandelde longinfectie, Aortaperforatie). Bij de toepassing van
de leer van redelijke toerekening moet allereerst bezien worden of een conditio sine
qua non-verband bestaat tussen de gedraging van de verdachte en het delictgevolg.
2. TOEPASSEN: Is de situatie rechtstreeks het gevolg van de gedraging van de
verdachte? Is het een onmisbare voorwaarde geweest, is er sprake van een
CSQN-verband tussen de handeling en de situatie?
, 3. INDIEN JA: Er dient te worden vastgesteld of de toerekening van het delictgevolg
aan de verdachte ook redelijk is.
- Niet behandelde longinfectie: Als je iemand ernstig letsel toebrengt en die
persoon overlijdt aan een complicatie daarvan (zoals een niet-behandelde
longinfectie), blijf je strafrechtelijk aansprakelijk voor het overlijden – ook als
het slachtoffer bewust besluit die complicatie niet medisch te laten
behandelen, zolang die beslissing niet een zelfstandige, ingrijpende oorzaak
van de dood is geworden.
- Aortaperforatie: Het verzuim van een arts (of andere hulpverlener) hoeft niet
in de weg te staan. Ongeacht de nalatigheid van de arts heeft de gedraging
van de verdachte het delictgevolg tot gevolg gehad. Er is dan sprake van een
causaal verband tussen de gedraging van de verdachte en het delictgevolg.
- Haarlemse doodslag: Een verdachte blijft verantwoordelijk voor de dood van
het slachtoffer als die het gevolg is van zijn gewelddadige handelen, ook
wanneer gebrekkige medische hulp heeft bijgedragen aan het overlijden.
Zonder het handelen van de verdachte was het slachtoffer immers niet in die
situatie gekomen.
- Hevige emoties: Het is een feit van algemene bekendheid dat hevige
emoties, vooral bij bejaarden, dikwijls fatale gevolgen hebben. Daarmee is
dat gevolg tevens voorzienbaar. Op grond daarvan kan het delictgevolg
redelijkerwijs als gevolg van de gedraging van de verdachte aan de verdachte
worden toegerekend.
INDIEN NEE: Indien niet met zekerheid een CSQN-verband kan worden vastgesteld,
betekent dat er niet met zekerheid kan worden gezegd dat de gedraging van de
verdachte een onmisbare factor was in het delictsgevolg. Dit betekent echter niet dat
het verweer van de verdachte kan worden geaccepteerd en dat het gevolg niet
redelijkerwijs aan de gedraging is toe te rekenen.
De Hoge Raad heeft in Groninger HIV nadere criteria geformuleerd om een causaal
verband aan te nemen en tot een redelijke toerekening te kunnen komen:
1. Het gedrag van de verdachte kan een onmisbare schakel hebben gevormd.
2. Het is aannemelijk dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid
door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt.
Of sprake is van zo een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de
concrete omstandigheden van het geval. Belangrijk is of wat de verdachte heeft
gedaan normaal gesproken tot dat gevolg kan leiden, en of er volgens ervaring
meestal zo een gevolg uit die gedraging voorkomt.
In Bloedvergiftiging heeft de Hoge Raad bepaald dat als het handelen van de
verdachte naar zijn aard geschikt is om het gevolg te veroorzaken, hij
verantwoordelijk blijft, tenzij er een aannemelijk alternatieve oorzaak bestaat.