Week 3 literatuur: Biopsychologie
Kalat: Module 1.2: 14-29
Module 1.3: 25-32
Module 2.1: 40-45
Module 2.2: 48-54
Kalat: Module 1.2: 14-29
Neuronen
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 typen cellen:
1. Neuronen
Neuronen ontvangen en transporteren informatie naar andere cellen. Gemiddeld heeft een
volwassen mens ongeveer 86 biljoen neuronen
Santiago Ramón y Cajal (Pionier in Neurowetenschappen)
Grote bijdrage: Het idee dat het brein bestaat uit individuele cellen. Toen biologen eerst naar
het brein keken vonden ze bijzondere cellen die niet leken op andere cellen.
Camillo Golgi vond een manier om cellen een vlek te geven met zilver zout. Hieruit
concludeerde zij uiteindelijk dat hersenen een netwerk zijn, zonder afzonderlijke cellen. De
conclusie die volgde uit een onderzoek van Cajal met de vlekken techniek van Golgi was dat
zenuwcellen afzonderlijk van elkaar bleven bestaan en niet in elkaar overliepen. Het brein
blijkt wel te bestaan uit individuele cellen.
De structuren van een dierlijke cel.
Neuronen lijken veel op cellen in de rest van het lichaam.
Het oppervlakte van een cel noem je een membraan, dit scheidt de binnenkant van de cel
van de omgeving. De meeste chemicaliën kunnen niet door het membraan heen, maar
water, zuurstof, sodium, potassium , calcium , chloride en andere belangrijke stoffen kunnen
er wel doorheen middels een gecontroleerde flow.
Celkern (nucleus).
Naast de rode bloedcellen van zoogdieren hebben alle dierlijke cellen een celkern. In de
celkern zitten de chromosomen.
Ribosomen
Cellen bevatten ook ribosomen, deze zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van proteïne.
Sommige drijven vrij rond in de cel, anderen maken zich vast aan het:
Endoplasmatisch reticulum
Dit is een netwerk van dunne buisjes die nieuw aangemaakt proteïne vervoeren naar andere
gebieden.
Mitochondrion (Mitochondria)
Een mitochondrion verricht metabolische (stofwisselings) activiteiten waarbij het de energie
levert die de cel voor alle activiteiten gebruikt.
Eerst vonden neurowetenschappers mitochondria niet heel interessant maar later steeds
meer.
,Mitochondria zijn niet allemaal hetzelfde: ze hebben hun eigen genen, gescheiden van die
van de celkern van een cel.
Mitochondria wordt overgeërfd via het cytoplasma van de eicel. Je hebt deze dus geërfd van
je biologische moeder.
Breinactiviteit vereist meer energie dan de activiteit van elk ander orgaan en is daarom
enorm afhankelijk van de goede werking van mitochondria.
Gezonde mitochondria bevorderen gezondheid, hersenactiviteit en cognitie.
Verminderde functie van mitochondria kan zorgen voor verminderde mentale energie en
hoge kans op depressie.
Ook is verminderde functie van mitochondria gekoppeld aan:
- Grotere ernst van epilepsie,
- Alzheimer
- Parkinson
- Huntington
De structuur van neuronen
Neuronen vallen op door de vorm die hen onderscheidt van andere cellen.
Alle neuronen bevatten een:
- Soma (cellichaam)
De meeste neuronen bevatten
- Dendrieten
- Axoon
- Presynaptische terminal
De kleinste neuronen missen
- Axonen,
- Goed gedefinieerde dendrieten.
Motor neuron (motorisch neuron)
Het cellichaam zit in de ruggenmerg, ontvangt prikkels via zijn dendrieten en geleidt
impulsen langs zijn axon naar een spier
Sensory neuron (Sensorisch neuron)
Is aan een uiteinde gespecialiseerd om bijzonder gevoelig te zijn voor een bepaald type
prikkel (bijvoorbeeld aanraking)
, Dendrieten
Zijn vertakkende uitingen die kleiner worden aan het einde.
Deze vertakkingen zijn omhuld met synaptische receptoren ->
hierdoor ontvangt het dendriet informatie van andere neuronen.
Veel dendrieten bevatten dendritische ‘spines’: Uitgroeiingen die het
oppervlakte beschikbaar voor synapsen vergroten
Cellichaam (soma)
Bevat een celkern, ribosomen en mitochondria. In veel neuronen is het
cellichaam bedenkt in synapsen (net als bij de dendrieten)
Axon
Is een dunne vezel met een constante diameter. dendrieten zijn soms
maar een paar millimeter dun, maar axonen kunnen meer dan een meter lang zijn
(bijvoorbeeld van je ruggengraat naar je voeten).
Myelineschede (myelin sheath)
Een isolerend materiaal met onderbrekingen die de nodes of Ranvier worden genoemd. Dit
is altijd bij gewervelden. Axonen van ongewervelden hebben geen myelineschedes.
Een neuron kan veel dendrieten hebben maar heeft altijd slechts een axon!
Aan het einde van iedere dendriet vertakking zit een zwelling, dit noemen we een
presynaptische terminal. Hier laat een axon een chemische reactie los die verspringt op een
andere cel.
Afferent axon
Brengt informatie naar binnen bij een structuur
Efferent axon
Draagt informatie weg van een structuur
Intrinsiek neuron
Als dendrieten en het axon van een cell volledig binnen in structuur liggen is de cel een
interneuron of een intrinsiek neuron van die structuur.
! Iedere sensory neuron is afferent aan het zenuwstelsel
! Iedere motorische neuron is efferent van het zenuwstelsel
! Binnen het zenuwstelsel is iedere neuron afferent van een structuur en effent aan een
ander.
Variatie binnen neuronen
Neuronen variëren enorm in maat, vorm en functie. De vorm van een neuron bepaalt de
verbinding met andere cellen en daardoor ook de functie.
Bijvoorbeeld: Purkinje cell: Zit in het cerebellum en maakt het mogelijk om input te
ontvangen van meer dan 200.000 andere neuronen (a)
Kalat: Module 1.2: 14-29
Module 1.3: 25-32
Module 2.1: 40-45
Module 2.2: 48-54
Kalat: Module 1.2: 14-29
Neuronen
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 typen cellen:
1. Neuronen
Neuronen ontvangen en transporteren informatie naar andere cellen. Gemiddeld heeft een
volwassen mens ongeveer 86 biljoen neuronen
Santiago Ramón y Cajal (Pionier in Neurowetenschappen)
Grote bijdrage: Het idee dat het brein bestaat uit individuele cellen. Toen biologen eerst naar
het brein keken vonden ze bijzondere cellen die niet leken op andere cellen.
Camillo Golgi vond een manier om cellen een vlek te geven met zilver zout. Hieruit
concludeerde zij uiteindelijk dat hersenen een netwerk zijn, zonder afzonderlijke cellen. De
conclusie die volgde uit een onderzoek van Cajal met de vlekken techniek van Golgi was dat
zenuwcellen afzonderlijk van elkaar bleven bestaan en niet in elkaar overliepen. Het brein
blijkt wel te bestaan uit individuele cellen.
De structuren van een dierlijke cel.
Neuronen lijken veel op cellen in de rest van het lichaam.
Het oppervlakte van een cel noem je een membraan, dit scheidt de binnenkant van de cel
van de omgeving. De meeste chemicaliën kunnen niet door het membraan heen, maar
water, zuurstof, sodium, potassium , calcium , chloride en andere belangrijke stoffen kunnen
er wel doorheen middels een gecontroleerde flow.
Celkern (nucleus).
Naast de rode bloedcellen van zoogdieren hebben alle dierlijke cellen een celkern. In de
celkern zitten de chromosomen.
Ribosomen
Cellen bevatten ook ribosomen, deze zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van proteïne.
Sommige drijven vrij rond in de cel, anderen maken zich vast aan het:
Endoplasmatisch reticulum
Dit is een netwerk van dunne buisjes die nieuw aangemaakt proteïne vervoeren naar andere
gebieden.
Mitochondrion (Mitochondria)
Een mitochondrion verricht metabolische (stofwisselings) activiteiten waarbij het de energie
levert die de cel voor alle activiteiten gebruikt.
Eerst vonden neurowetenschappers mitochondria niet heel interessant maar later steeds
meer.
,Mitochondria zijn niet allemaal hetzelfde: ze hebben hun eigen genen, gescheiden van die
van de celkern van een cel.
Mitochondria wordt overgeërfd via het cytoplasma van de eicel. Je hebt deze dus geërfd van
je biologische moeder.
Breinactiviteit vereist meer energie dan de activiteit van elk ander orgaan en is daarom
enorm afhankelijk van de goede werking van mitochondria.
Gezonde mitochondria bevorderen gezondheid, hersenactiviteit en cognitie.
Verminderde functie van mitochondria kan zorgen voor verminderde mentale energie en
hoge kans op depressie.
Ook is verminderde functie van mitochondria gekoppeld aan:
- Grotere ernst van epilepsie,
- Alzheimer
- Parkinson
- Huntington
De structuur van neuronen
Neuronen vallen op door de vorm die hen onderscheidt van andere cellen.
Alle neuronen bevatten een:
- Soma (cellichaam)
De meeste neuronen bevatten
- Dendrieten
- Axoon
- Presynaptische terminal
De kleinste neuronen missen
- Axonen,
- Goed gedefinieerde dendrieten.
Motor neuron (motorisch neuron)
Het cellichaam zit in de ruggenmerg, ontvangt prikkels via zijn dendrieten en geleidt
impulsen langs zijn axon naar een spier
Sensory neuron (Sensorisch neuron)
Is aan een uiteinde gespecialiseerd om bijzonder gevoelig te zijn voor een bepaald type
prikkel (bijvoorbeeld aanraking)
, Dendrieten
Zijn vertakkende uitingen die kleiner worden aan het einde.
Deze vertakkingen zijn omhuld met synaptische receptoren ->
hierdoor ontvangt het dendriet informatie van andere neuronen.
Veel dendrieten bevatten dendritische ‘spines’: Uitgroeiingen die het
oppervlakte beschikbaar voor synapsen vergroten
Cellichaam (soma)
Bevat een celkern, ribosomen en mitochondria. In veel neuronen is het
cellichaam bedenkt in synapsen (net als bij de dendrieten)
Axon
Is een dunne vezel met een constante diameter. dendrieten zijn soms
maar een paar millimeter dun, maar axonen kunnen meer dan een meter lang zijn
(bijvoorbeeld van je ruggengraat naar je voeten).
Myelineschede (myelin sheath)
Een isolerend materiaal met onderbrekingen die de nodes of Ranvier worden genoemd. Dit
is altijd bij gewervelden. Axonen van ongewervelden hebben geen myelineschedes.
Een neuron kan veel dendrieten hebben maar heeft altijd slechts een axon!
Aan het einde van iedere dendriet vertakking zit een zwelling, dit noemen we een
presynaptische terminal. Hier laat een axon een chemische reactie los die verspringt op een
andere cel.
Afferent axon
Brengt informatie naar binnen bij een structuur
Efferent axon
Draagt informatie weg van een structuur
Intrinsiek neuron
Als dendrieten en het axon van een cell volledig binnen in structuur liggen is de cel een
interneuron of een intrinsiek neuron van die structuur.
! Iedere sensory neuron is afferent aan het zenuwstelsel
! Iedere motorische neuron is efferent van het zenuwstelsel
! Binnen het zenuwstelsel is iedere neuron afferent van een structuur en effent aan een
ander.
Variatie binnen neuronen
Neuronen variëren enorm in maat, vorm en functie. De vorm van een neuron bepaalt de
verbinding met andere cellen en daardoor ook de functie.
Bijvoorbeeld: Purkinje cell: Zit in het cerebellum en maakt het mogelijk om input te
ontvangen van meer dan 200.000 andere neuronen (a)