● Start het college daarom bij 6 minuten en 17 seconden (6:17).
● In het tweede deel ga ik in op power. Start dit college bij 1:01 en ga door tot (ongeveer) 49:00.
Inferentie
We hebben een uitkomst uit onze steekproef en willen weten wat die ons vertelt over de hele
populatie. Daarbij doen we alsof een bepaalde hypothese waar is en vragen we ons af hoe
groot de kans is dat we door toeval precies deze steekproefuitkomst krijgen. Als die kans
heel klein is, twijfelen we aan de hypothese; als die kans niet klein is, past de uitkomst goed
bij de hypothese.
Statistische inferentie is gebaseerd op:
- Betrouwbaarheidsinterval
- H0 Significantietoets.
Gaat aan de ene kant over schattingen maken (over populatie op basis steekproefgegevens)
en over iets zeggen over een hypothese die een onderzoeker zou kunnen hebben
Betrouwbaarheidsinterval
Een betrouwbaarheidsinterval (Confidence interval: CI)
- Geeft met een bepaalde zekerheid een schatting van een parameter op basis van
een statistic
Op basis van iets wat we in een steekproef hebben gemeten, zeggen we ongeveer hoe iets is
in de hele groep, en we geven daarbij aan hoe zeker we daarover zijn.
- Vb: Je hebt een gem uit een steekproef en wil op basis daarvan iets zeggen over het
populatiegemiddelde met een bepaalde zekerheid., dit doe je met een
betrouwbaarheidsinterval
- Puntschatting + een foutmarge en - een foutmarge = Betrouwbaarheidsinterval
- Als we schattingen maken zit er enige onzekerheid erin, dit doe je door een
foutmarge ergens in mee te nemen.
- Betrouwbaarheidsniveau: Is een keuze, meestal 95% - Dit is een keuze!
- Betrouwbaarheidsniveau verwijst naar een kenmerk van de uitkomst van een
procedure wanneer deze procedure theoretisch heel vaak herhaald zou worden.
In dit plaatje hebben we 100 random samples van observaties van steeds 60
cases/subjects.
Als je kijkt naar het gemiddelde heb je het over het groene bolletje
, Die zit op ongeveer 2,5 is het gemiddelde in die steekproef (eerste lijntje).
Bij dat gemiddelde wordt een foutmarge opgeteld (whisker omhoog -> 3,8) en afgetrokken
(whisker omlaag -> 0,8)
Dat is het betrouwbaarheidsinterval, dit herhaalt zich bij iedere sample.
Het populatiegemiddelde wordt aangegeven met de rode streep. Dit is hier ongeveer 2,2.
Het betrouwbaarheidsinterval omvat heel vaak het populatiegemiddelde.
Een aantal niet (de rode horizontale streepjes)
Het populatiegemiddelde zit in 95% van de betrouwbaarheidsintervallen.
Heel veel betrouwbaarheidsinterval berekenen bevat 95% hiervan het populatiegemiddelde.
Ieder afzonderlijk betrouwbaarheidsinterval omvat het populatiegemiddelde WEL of juist
NIET.
Als onderzoeken weet je dit niet (welke betrouwbaarheidsinterval je hebt), je doet het maar
een keer (Steekproefgemiddelde/betrouwbaarheidsinterval berekenen)
Maar je weet dat je iets gebruikt wat in 95% van de gevallen jouw betrouwbaarheidsinterval
wel of in het populatiegemiddelde valt.
Je weet vrij zeker (95%) maar niet 100% zeker, dat jouw betrouwbaarheidsinterval het
populatiegemiddelde heeft.
Betrouwbaarheidsinterval voor een populatiegemiddelde berekenen
● In het tweede deel ga ik in op power. Start dit college bij 1:01 en ga door tot (ongeveer) 49:00.
Inferentie
We hebben een uitkomst uit onze steekproef en willen weten wat die ons vertelt over de hele
populatie. Daarbij doen we alsof een bepaalde hypothese waar is en vragen we ons af hoe
groot de kans is dat we door toeval precies deze steekproefuitkomst krijgen. Als die kans
heel klein is, twijfelen we aan de hypothese; als die kans niet klein is, past de uitkomst goed
bij de hypothese.
Statistische inferentie is gebaseerd op:
- Betrouwbaarheidsinterval
- H0 Significantietoets.
Gaat aan de ene kant over schattingen maken (over populatie op basis steekproefgegevens)
en over iets zeggen over een hypothese die een onderzoeker zou kunnen hebben
Betrouwbaarheidsinterval
Een betrouwbaarheidsinterval (Confidence interval: CI)
- Geeft met een bepaalde zekerheid een schatting van een parameter op basis van
een statistic
Op basis van iets wat we in een steekproef hebben gemeten, zeggen we ongeveer hoe iets is
in de hele groep, en we geven daarbij aan hoe zeker we daarover zijn.
- Vb: Je hebt een gem uit een steekproef en wil op basis daarvan iets zeggen over het
populatiegemiddelde met een bepaalde zekerheid., dit doe je met een
betrouwbaarheidsinterval
- Puntschatting + een foutmarge en - een foutmarge = Betrouwbaarheidsinterval
- Als we schattingen maken zit er enige onzekerheid erin, dit doe je door een
foutmarge ergens in mee te nemen.
- Betrouwbaarheidsniveau: Is een keuze, meestal 95% - Dit is een keuze!
- Betrouwbaarheidsniveau verwijst naar een kenmerk van de uitkomst van een
procedure wanneer deze procedure theoretisch heel vaak herhaald zou worden.
In dit plaatje hebben we 100 random samples van observaties van steeds 60
cases/subjects.
Als je kijkt naar het gemiddelde heb je het over het groene bolletje
, Die zit op ongeveer 2,5 is het gemiddelde in die steekproef (eerste lijntje).
Bij dat gemiddelde wordt een foutmarge opgeteld (whisker omhoog -> 3,8) en afgetrokken
(whisker omlaag -> 0,8)
Dat is het betrouwbaarheidsinterval, dit herhaalt zich bij iedere sample.
Het populatiegemiddelde wordt aangegeven met de rode streep. Dit is hier ongeveer 2,2.
Het betrouwbaarheidsinterval omvat heel vaak het populatiegemiddelde.
Een aantal niet (de rode horizontale streepjes)
Het populatiegemiddelde zit in 95% van de betrouwbaarheidsintervallen.
Heel veel betrouwbaarheidsinterval berekenen bevat 95% hiervan het populatiegemiddelde.
Ieder afzonderlijk betrouwbaarheidsinterval omvat het populatiegemiddelde WEL of juist
NIET.
Als onderzoeken weet je dit niet (welke betrouwbaarheidsinterval je hebt), je doet het maar
een keer (Steekproefgemiddelde/betrouwbaarheidsinterval berekenen)
Maar je weet dat je iets gebruikt wat in 95% van de gevallen jouw betrouwbaarheidsinterval
wel of in het populatiegemiddelde valt.
Je weet vrij zeker (95%) maar niet 100% zeker, dat jouw betrouwbaarheidsinterval het
populatiegemiddelde heeft.
Betrouwbaarheidsinterval voor een populatiegemiddelde berekenen