Biologie H2 voeding en vertering
1. Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
Voedingsmiddelen = alle producten die je eet of drinkt
Voedingsstoffen = de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
Je hebt 4 functies van de voedingstoffen:
- Brandstof energie lichaamstemperatuur, groei, ontwikkeling en herstel
- Bouwstof groei, ontwikkeling van lichaam en herstel van verwondingen
(Nieuwe cellen en weefsels maken)
- Reservestof niet direct nodig als bouw of brandstof
- Beschermende stof niet ziek worden
Je hebt 6 voedingsstoffen:
- Eiwitten: vooral bouwstof, ook brandstof; en te veel wordt omgezet in vet als reservestof.
- Koolhydraten: vooral brandstof, ook bouwstof; en teveel wordt omgezet in vet als
reservestof.
- Vetten: vooral brandstof, ook bouwstof en reservestof.
- Water: bouwstof en het vervoer van stoffen
- Mineralen (zouten): bouwstof en beschermende stof (kalk in botten).
- Vitaminen: bouwstof en beschermende stof (A: opbouw huid en zicht, D: vastleggen van
kalkzouten in de botten)
Voedingsvezel = een verzamelnaam voor plantaardige stoffen die je lichaam
niet kan verteren.
Essentiële voedingsstoffen = de stoffen die je lichaam niet zelf kan maken (vitamine C)
Niet-essentiële voedingsstoffen = de stoffen die je lichaam zelf kan maken
(Gevormd in lever)
2. Het verteringsstelsel
Vertering = het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed
kunnen worden opgenomen, in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in
het bloed.
- Wel verteerd moeten: eiwitten, de meeste koolhydraten en vetten.
- Niet verteerd moeten: glucose, mineralen, vitamines en water.
Mechanische vertering = het voedsel in kleine stukjes verdelen door te kauwen.
- Snij en hoektanden bijten stukken van voedsel af
- Kiezen voedsel fijngemalen
Chemische vertering = is de voedingsstoffen omzetten met behulp van verteringssappen
- Verteringssappen gemaakt door verteringsklieren (speeksel-, maagsap-, darmsapklieren,
alvleesklier en lever)
- Verteringssappen bevatten enzymen.
, Enzymen = stoffen die scheikundige reacties sneller laten verlopen
- Des de groter de opp., des te beter bereikbaar voor enzymen.
- Sleutel-slotprincipe
- Werking enzymen afhankelijk van de temperatuur (optimaal: 37C)
Darmperistaltiek = Het afwisselend samentrekken en ontspannen van kringspieren en
lengtespieren in de wand van het darmkanaal.
- Werking: kringspieren trekken aan duwt voedselbrok vooruit lengtespieren trekken
aan
- Functie: de voedselbrij verplaatsen, kneden en vermengen met verteringssappen.
- Voedingsvezels: prikkelen de spieren in de darmwand en zorgen voor een goede
darmwerking
3. De organen voor vertering
1. Mondholte (1)
- Speeksel produceren
2. Slokdarm (2)
- Verplaatsing voedsel van mond naar maag
3. Lever (4)
- Gal produceren
4. Galblaas
5. Maagportier
6. 12vingerige darm (6)
- Gal en alvleesklier vermengen
7. Blindedarm
8. Appendix
9. Anus
10. Speekselklieren
11. Maagsapklieren
12. Galbuis
13. Maag (3)
- Maagsap en zoutzuur produceren
14. Alvleesklier (5)
- Alvleessap produceren
15. Dikke darm (8)
- Water onttrekken
16. Dunne darm (7)
- Voedingsstoffen, verteringsproducten
En water opnemen in bloed.
- Groot opp., door darmplooien en vlokken.
17. Darmsapklieren
18. Endeldarm (9)
- Verzamel en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting)
1. Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
Voedingsmiddelen = alle producten die je eet of drinkt
Voedingsstoffen = de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
Je hebt 4 functies van de voedingstoffen:
- Brandstof energie lichaamstemperatuur, groei, ontwikkeling en herstel
- Bouwstof groei, ontwikkeling van lichaam en herstel van verwondingen
(Nieuwe cellen en weefsels maken)
- Reservestof niet direct nodig als bouw of brandstof
- Beschermende stof niet ziek worden
Je hebt 6 voedingsstoffen:
- Eiwitten: vooral bouwstof, ook brandstof; en te veel wordt omgezet in vet als reservestof.
- Koolhydraten: vooral brandstof, ook bouwstof; en teveel wordt omgezet in vet als
reservestof.
- Vetten: vooral brandstof, ook bouwstof en reservestof.
- Water: bouwstof en het vervoer van stoffen
- Mineralen (zouten): bouwstof en beschermende stof (kalk in botten).
- Vitaminen: bouwstof en beschermende stof (A: opbouw huid en zicht, D: vastleggen van
kalkzouten in de botten)
Voedingsvezel = een verzamelnaam voor plantaardige stoffen die je lichaam
niet kan verteren.
Essentiële voedingsstoffen = de stoffen die je lichaam niet zelf kan maken (vitamine C)
Niet-essentiële voedingsstoffen = de stoffen die je lichaam zelf kan maken
(Gevormd in lever)
2. Het verteringsstelsel
Vertering = het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed
kunnen worden opgenomen, in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in
het bloed.
- Wel verteerd moeten: eiwitten, de meeste koolhydraten en vetten.
- Niet verteerd moeten: glucose, mineralen, vitamines en water.
Mechanische vertering = het voedsel in kleine stukjes verdelen door te kauwen.
- Snij en hoektanden bijten stukken van voedsel af
- Kiezen voedsel fijngemalen
Chemische vertering = is de voedingsstoffen omzetten met behulp van verteringssappen
- Verteringssappen gemaakt door verteringsklieren (speeksel-, maagsap-, darmsapklieren,
alvleesklier en lever)
- Verteringssappen bevatten enzymen.
, Enzymen = stoffen die scheikundige reacties sneller laten verlopen
- Des de groter de opp., des te beter bereikbaar voor enzymen.
- Sleutel-slotprincipe
- Werking enzymen afhankelijk van de temperatuur (optimaal: 37C)
Darmperistaltiek = Het afwisselend samentrekken en ontspannen van kringspieren en
lengtespieren in de wand van het darmkanaal.
- Werking: kringspieren trekken aan duwt voedselbrok vooruit lengtespieren trekken
aan
- Functie: de voedselbrij verplaatsen, kneden en vermengen met verteringssappen.
- Voedingsvezels: prikkelen de spieren in de darmwand en zorgen voor een goede
darmwerking
3. De organen voor vertering
1. Mondholte (1)
- Speeksel produceren
2. Slokdarm (2)
- Verplaatsing voedsel van mond naar maag
3. Lever (4)
- Gal produceren
4. Galblaas
5. Maagportier
6. 12vingerige darm (6)
- Gal en alvleesklier vermengen
7. Blindedarm
8. Appendix
9. Anus
10. Speekselklieren
11. Maagsapklieren
12. Galbuis
13. Maag (3)
- Maagsap en zoutzuur produceren
14. Alvleesklier (5)
- Alvleessap produceren
15. Dikke darm (8)
- Water onttrekken
16. Dunne darm (7)
- Voedingsstoffen, verteringsproducten
En water opnemen in bloed.
- Groot opp., door darmplooien en vlokken.
17. Darmsapklieren
18. Endeldarm (9)
- Verzamel en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting)