Biologie H3 ordening
3.1
Bij ordenen van organismen verdeel je een verzameling organismen in groepen
met hetzelfde kenmerk.
- kenmerk: een eigenschap waarmee je een organisme kunt onderscheiden van
andere organismen.
Al het leven op aarde wordt eerst verdeeld in 2 hoofdgroepen: prokaryoten en
eukaryoten.
Elke hoofdgroep kun je verder indelen in kleinere groepen: de rijken.
De prokaryoten zijn ingedeeld in 2 rijken: bacterien en archaea. De eukaryoten
zijn ingedeeld in 5 rijken: chromista, protozoa, schimmels, planten en dieren
(ook mensen).
Bacteriën en archaea zijn eencellig. Ook de meeste eukaryoten zijn eencellig.
Een organisme kan ook meercellig zijn, veel planten en dieren zijn meercellig.
Bij de indeling van organismen kijken biologen eerst naar de kenmerken van
cellen (celkern, celwand en bladgroenkorrels.
Het - hoofdgroepen
Rode - rijken
Slangetje - stammen
Kan - klassen
Op - orden
Freeks - families
Gezicht - geslachten
Sabelen - soorten
Vertakkingsschema: weergave van indelingen van organismen in steeds kleinere
groepen
3.2
Organismen die tot hetzelfde geslacht behoren, vertonen veel overeenkomst.
Die alleen tot hetzelfde rijk behoren hebben minder overeenkomst.
Hoe meer overeenkomst 2 organismen vertonen, hoe meer ze bij dezelfde
groepen worden ingedeeld.
, Organismen behoren alleen tot dezelfde soort als ze zich onderling kunnen
voortplanten en de nakomelingen vruchtbaar zijn. Een Afrikaanse en een
Aziatische olifant kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen. Organismen
die veel op elkaar lijken, hoeven dus niet tot dezelfde soort behoren.
Ras: groepen waar je de organismen van een soort in kunt indelen.
Organismen die tot dezelfde soort horen, hebben veel overeenkomsten. Bij
slakken heb je bijv. donkere en lichte dat het variatie.
In een donker gebied vallen de donkere slakken minder op. Ze blijven leven,
want vogels kunnen ze niet zien, ze krijgen nakomelingen die ook donker zijn.
Dit heet selectie.
Door selectie komen er langzaam minder lichte slakken en meer donkere.
De ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen
en verdwijnen, dit noem je evolutie.
- Verwantschap: overeenkomst in DNA en uiterlijk van verschillende
organismen.
- DNA-sequentie: de volgorde van basen in het DNA
- DNA-sequencing: de DNA-sequentie van organismen snel in kaart brengen met
DNA-technieken
3.3
- symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je in 2 gelijke helften kunt verdelen
(aan de buitenkant)
- tweezijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op 1 manier in gelijke
helften kunt delen.
- veelzijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op meerdere manieren
in ongeveer gelijke delen kunt verdelen.
- niet-symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op geen enkele manier in 2
gelijke helften kunt verdelen.
- skelet: de stevige delen van een dier, geeft stevigheid en bescherming.
- uitwendig skelet: het skelet aan de buitenkant van het lichaam van een dier.
- inwendig skelet: het skelet aan de binnenkant van het lichaam van een dier.
3.1
Bij ordenen van organismen verdeel je een verzameling organismen in groepen
met hetzelfde kenmerk.
- kenmerk: een eigenschap waarmee je een organisme kunt onderscheiden van
andere organismen.
Al het leven op aarde wordt eerst verdeeld in 2 hoofdgroepen: prokaryoten en
eukaryoten.
Elke hoofdgroep kun je verder indelen in kleinere groepen: de rijken.
De prokaryoten zijn ingedeeld in 2 rijken: bacterien en archaea. De eukaryoten
zijn ingedeeld in 5 rijken: chromista, protozoa, schimmels, planten en dieren
(ook mensen).
Bacteriën en archaea zijn eencellig. Ook de meeste eukaryoten zijn eencellig.
Een organisme kan ook meercellig zijn, veel planten en dieren zijn meercellig.
Bij de indeling van organismen kijken biologen eerst naar de kenmerken van
cellen (celkern, celwand en bladgroenkorrels.
Het - hoofdgroepen
Rode - rijken
Slangetje - stammen
Kan - klassen
Op - orden
Freeks - families
Gezicht - geslachten
Sabelen - soorten
Vertakkingsschema: weergave van indelingen van organismen in steeds kleinere
groepen
3.2
Organismen die tot hetzelfde geslacht behoren, vertonen veel overeenkomst.
Die alleen tot hetzelfde rijk behoren hebben minder overeenkomst.
Hoe meer overeenkomst 2 organismen vertonen, hoe meer ze bij dezelfde
groepen worden ingedeeld.
, Organismen behoren alleen tot dezelfde soort als ze zich onderling kunnen
voortplanten en de nakomelingen vruchtbaar zijn. Een Afrikaanse en een
Aziatische olifant kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen. Organismen
die veel op elkaar lijken, hoeven dus niet tot dezelfde soort behoren.
Ras: groepen waar je de organismen van een soort in kunt indelen.
Organismen die tot dezelfde soort horen, hebben veel overeenkomsten. Bij
slakken heb je bijv. donkere en lichte dat het variatie.
In een donker gebied vallen de donkere slakken minder op. Ze blijven leven,
want vogels kunnen ze niet zien, ze krijgen nakomelingen die ook donker zijn.
Dit heet selectie.
Door selectie komen er langzaam minder lichte slakken en meer donkere.
De ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen
en verdwijnen, dit noem je evolutie.
- Verwantschap: overeenkomst in DNA en uiterlijk van verschillende
organismen.
- DNA-sequentie: de volgorde van basen in het DNA
- DNA-sequencing: de DNA-sequentie van organismen snel in kaart brengen met
DNA-technieken
3.3
- symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je in 2 gelijke helften kunt verdelen
(aan de buitenkant)
- tweezijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op 1 manier in gelijke
helften kunt delen.
- veelzijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op meerdere manieren
in ongeveer gelijke delen kunt verdelen.
- niet-symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op geen enkele manier in 2
gelijke helften kunt verdelen.
- skelet: de stevige delen van een dier, geeft stevigheid en bescherming.
- uitwendig skelet: het skelet aan de buitenkant van het lichaam van een dier.
- inwendig skelet: het skelet aan de binnenkant van het lichaam van een dier.