H6 – urinewegstelsel
1.
De ligging van de nieren;
- De nieren liggen hoog in de buikholte, tegen de achterste buikwand, aan beide
kanten van de wervelkolom. Ze worden beschermd door de thorax. De holle
zijden van de nieren zijn naar elkaar toe gekeerd het centrum van de Holle zijden
in nierhilium. Dit is de plaats waar bloedvaten zenuw en lymfevaten de nier in- en
uitgaan en waar de urineleider begint. Boven op de nieren liggen de bijnieren dit
zijn hormoon klieren die zorgt voor het in stand houden van het hormonale
stelsel. De bijnier en nier zijn omringd door perineraal vet genoemd. Rondom het
vet ligt stevig bindweefsel, namelijk de fascia renalis. Het vet en de Vasalis die
fixeren de nieren en beschermen tegen schokken die van buitenaf komen.
De bouw van de nieren;
- De buitenste laag van een nieuw bestaat een dun en stevig bindweefselkapsel,
het nierkapsel. Het nierweefsel bestaat uit twee delen de cortex en de medulla.
De cortex is de schors. Dit is het gespikkelde weefsel gebied dat direct onder het
nieuwe kapsel ligt. Op sommige plaatsen lijkt de cortex in smalle balen naar het
centrum van een nieuw toe tussen en binnen de schors ligt Medulla dit is het
merg. De merg gebieden hebben de vorm van een kegel en worden merg
piramide genoemd. Ze hebben een gestreept uiterlijk. De top van het merg wordt
een nierpapil genoemd. Deze is naar het centrum van een nier gericht. Bij zo'n
nierpapil onder 3 tot 6 mergpiramide uit in een holte. Dit is de Calix/nierkelk. De
nierkelken monden om hun buurt uit in een grote centrale holten in een nier, het
pyelum/nierbekken/pelvis. Het pyelum vernauwt en gaat ter hoogte van de
nierhilum over in de urineleider.
Functie van de nieren;
- De functie van de nieren zijn ultrafiltratie, terugresorptie en excretie.
- Ultra filtratie. Per 24 uur strand er 1440 l bloed naar nefronen. Het endotheel en
het glomerulusmemraan werken als bloedfilters --> ultrafiltratie. Het filtraat in
de kapselholte heet voorurine; bloevloeistof zonder plasma-eiwitten en
bloecellen. Deze bestanddelen zijn te groot om door het endotheell te passen.
Voorurine bevat glucose, water, aminozuren en afvalstoffen. de ltrafiltratie kost
geen energie en verbruikt dus geen zuurstof.
, - Terugresorptie is het terughalen van stoffen/water uit de voorurine. Er wordt
namelijk als het ware “teveel” voorurine gemaakt. Veel stofjes die hierin zitten
kan het lichaam niet missen en hierdoor wordt het teruggehaald. Dit gebeurt
door middel van actief transport. Dit is een selectief proces en dat gaat gepaard
met zuurstof.
- Excretie; vanuit het bloed, worden bepaalde afvalstoffen aan het nierkanaaltje
afgegeven, dit is actief transport en heet excretie. Excretie treed op in de
proximale tubulus, de lis van enle en de distale tubulus. 99% van de vvoorurine
wordt teruggeabsorbeerd.
De urinewegen;
- Ultrafiltratie, terugresorptie en excretie leiden uiteindelijk tot
urinevorming/diurese. Urine sijpelt vanuit verzamelbuizen via de nierpapillen
naar de nierkelken. Als je veel voedsel dat zout bevat binnenkrijgt, proberen je
nieren zoveel mogelijk vocht vast te houden (zodat de concentratie van het zout
normaal blijft).
- Urine bevat altijd; water, zouten, afbraakproducten; ureum, creatinine en
urinezuur, urobiline en celresten. Echter is vitamine C (wanneer er met het
voedsel meer is opgenomen dan verbruikt) en bepaalde hormonen soms ook in
het urine aanwezig.
- De in de nefronenen geproduceerde urine sijpelt uit de nierpapillen. Hier
beginnen de urinewegen, die zorgen voor transport, opslag en verwijdering van
urine uit het lichaam. De urinewegen bestaan uit de; nierkelken, nierbekken,
urineleiders, de urineblaas en de urinebuis. Behalve het laatste gedeelte
bevat alles een overgangsepitheel, hierop bevindt zich een slijmerige laag.
- De urineleider; centraal in de nier vernauwt het pyelum zich terechtervormig en
gaat over in de urineleider. Ze zijn 25 cm lang en lopen vanaf het nierhilium naar
de urineblaas. De urineleiders treden het gladde spierweefsel van de blaaswand
onder een schuine hoek binnen. Het epitheel van de wand is bedekt met slijm
wat beschermt tegen de werking van het sterk geconcentreerde urine en
eventuele micro organismen van buitenaf. Onder het overgangsepitheel van het
nierbekken en de urineleider bevinden zich kring- en lengte spieren en die maken
de peristaltische beweging mogelijk. Hierdoor wordt het urnie naar de blaas
geduwd. Door de spierspanning in de blaaswand worden de uitmondeingen van
de urineleiders dichtgedrukt. Hierdoor kan de urine vanuit de blaas niet
terugstromen naar de urineleider.
- De urineblaas; dit is een hol, gespierd orgaan en ligt op de bekkenbodem.
Wanneer de urineblaas leeg is ligt hij onder het buikvlies, maar zodra hij gevuld is
komt de voorkant van de blaas omhoog. De buitendets laag van de blaas is heel
rekbaar, dit is erg handig aangezien de blaas steeds voller en voller wordt en dus
wel uitgerekt moet worden. Hoe voller de blaas zit, hoe breder en platter de
, epitheelcellen gaan liggen, zodat je urine niet gaat lekken. De urineblaas kan
max 700 ml vasthouden.
- De urinebuis; via de urinebuis kan de urine het lichaam verlaten. De bouw komt
overeen met die van de urineleider. Bij de urinebuis van de vrouw loopt deze over
de gehele lengte aan debuikzijde, die uitmond tussen de scaamlippen. Bij de
man loopt de urinebuis door de prostaat, dit gedeelte heet de pars prostatica.
Meteen onde rhet bekkenbodem komt de urinebuis uit in de zwellichamen van
de penis, dit deel het de pars spongiosa.
2 De doorbloeding van de nieren
De nieren hebben een opvallende bloedvoorziening, de nierslagader (a. Renalis) is een
korte aftakking van de aorta abdominalis. De nieren krijgen in rust 20% van het
hartminuutvolume aangeboden, Elke nier ontvangt dus per minuut een halve liter dit is
heel veel. De a. renalis vetakt ter hoogte van het nierhilium in kleine arterien, die langs
het nierbekken en rond de nierkelken het nierweefsel binnengaan. Als interlobaire
arterien lopen er aftakkingen naar de oppervlakkige schroslaag. Deze aftakkingen lopen
in een boog over de basis van de mergpiramiden naar de oppervlakkige schorslaag.
Deze aftakkigen lopen over een boog over de basis van de piramiden en worden arteriae
arcuate genoemd. Vertakkingen hiervan dringen het merg en schorsweefsel binnen.
Deze kleinere bloedvaatjes heten interlobulaire arterien. deze geven talloze arteriolen
af, die in de shors en het merg een arteriele portale circulatie vormen. De venulen en
venen die het bloed uit de nieren afvoeren, verlopen parallel aan de arteriolen en
arterien. Ter oogte van het nierhillum verenigen zich eeen aantal venen tot v.renalis.
3 De functie en onderdelen van het nefron
De functie van de nieren berust de werking van ongeveer 1 miljoen kleine structuren die
zich bezighouden met de bloedzuivering. Deze noem je de nefronen. Delen van het
leven van zijn het kapsel van Bouwman de glomerulus, proximale tubelus, lis van henle
en de zerzamelbuis. Het kapsel van Bouwman is een kluwen van haar vaten. De wand
van de glomerulus heeft relatief wijde poriën tussen de epitheelcellen. De toevoerende
arteriole is de vas afferens. Het afvoerende vat is het vas efferens, dit is een arteriole
en bevat dus zuurstof. Zo vormt de glomerulus een arteriele portale circulatie. Het
malpighlichaampje is de filtereenheid. Alle malpighlichaampjes liggen in de nierschors.
De buitenwand loopt naar binnen en vormt het glomeruusmembraan, het epitheel
bestaat uit podocyten, grote cellen met veel uitlopers, pedikels genoemd. Hiertussen
zitten nauwe speleten. Het kapsel looppt aan de basis uit in een kronkelig naaltje --> de
proximale tublus of de tubulus contortus I. het kanaaltje loopt in de richting van het
niermerg en krijgt een recht verloop. In het merg is het kanaaltje recht en buigt terug in
, de richting van de schors. Het in het merg gelegen deel van het kanaaltje is de list van
helden. In de schors teruggekomen is het kanaaltje weer gekonkeld. Dit heet de distale
tubulus of tubulus conturtus II. De distale tubulus mond uiteindelijk in de verzamelbuis.
Hier sluiten meerdere nefronen op aan.
4 De werking van de nier kan beschrijven; filtratie, secretie, excretie en reabsorptie
(herhaling van wat hierboven staat)
- Ultra filtratie. Per 24 uur strand er 1440 l bloed naar nefronen. Het endotheel en
het glomerulusmemraan werken als bloedfilters --> ultrafiltratie. Het filtraat in
de kapselholte heet voorurine; bloevloeistof zonder plasma-eiwitten en
bloecellen. Deze bestanddelen zijn te groot om door het endotheell te passen.
Voorurine bevat glucose, water, aminozuren en afvalstoffen. de ltrafiltratie kost
geen energie en verbruikt dus geen zuurstof.
- Terugresorptie is het terughalen van stoffen/water uit de voorurine. Er wordt
namelijk als het ware “teveel” voorurine gemaakt. Veel stofjes die hierin zitten
kan het lichaam niet missen en hierdoor wordt het teruggehaald. Dit gebeurt
door middel van actief transport. Dit is een selectief proces en dat gaat gepaard
met zuurstof.
- Excretie; vanuit het bloed, worden bepaalde afvalstoffen aan het nierkanaaltje
afgegeven, dit is actief transport en heet excretie. Excretie treed op in de
proximale tubulus, de lis van henle en de distale tubulus. 99% van de vvoorurine
wordt teruggeabsorbeerd.
5. glomereluaire filtratie snelheid/GFR
De glomerulaire filtrarie snelheid is het totale volume van voorurine dat in een
gedefinieerde tijdseenheid gefilterd wordt door alle glomeruli van beide nieren. Bij
mensen met een normale bloeddruk is dat ongeveer 0,12 per minuut/ 170 L per dag.
Fysiologisch daalt de GFR met de leeftijd, pathologisch bij verschillende nierziektes.
De GFR is de belangrijkste factor voor het inschatten van de nierfunctie,
6. Rol van de nieren bij excretie
Excretie is uitscheiding, het is een proces waarbij een organisme afvalstoffen en
overtollige stoffen uit het bloed aan de omgeving kwijtraakt. Ten behoefte van de
handhaving van het fysiologisch evenwicht van het organisme. Hierbij spelen de nieren
een cruciale rol. De nieren filteren alle afvalstoffen uit het bloed en zetten dit