De bovenbouw van de basisschool is groep 6, 7 en 8. De leerlingen groeien van
schoolkind tot prepuber → Fysieke veranderingen, sociaal-emotionele
veranderingen en cognitieve veranderingen. De verschillen in de groep zijn groot,
omdat de fysieke ontwikkeling per kind verschillend is. De fysieke ontwikkeling heeft
te maken met hormonale veranderingen → Beïnvloeden de emotionele
ontwikkelingen. De hersenen ontwikkelen zich, waardoor meer abstractie mogelijk is,
maar door de veranderingen leren kinderen niet makkelijker.
Fysieke-motorische ontwikkeling
Kinderen in groep 6 zijn basisschoolkinderen: Er is een evenwicht tussen de
ledematen, het lijf en het hoofd. De ademhaling van de kinderen wordt rustiger en
nadert een volwassen houding tot de hartslag. Melkkiezen zijn ingewisseld voor
grotemensenkiezen. De verhoudingen van het gezicht veranderen zodat het kind
een individuele uitdrukking krijgt. Door hormonale veranderingen vindt er groei plaats
van zaadballen bij jongens en eierstokken bij meisjes, daarna treden er
veranderingen op in het uiterlijk. Alle veranderingen zijn individuele processen,
waardoor er fysieke verschillen ontstaan bij leerlingen. In groep 7 en 8 vallen de
individuele veranderingen op. De motoriek verandert door lichamelijke groei.
Kinderen kunnen een periode motorisch onhandig zijn. Kinderen kunnen in oorzaak
en gevolg denken en logisch beredeneren → Hoger abstractieniveau en krijgen
inzicht.
De scepsis die kinderen ontwikkelen doordat ze zichzelf tegenover hun omgeving
kunnen plaatsen, wordt ingezet om dingen nader te onderzoeken en om vragen te
stellen → Nieuwe nieuwsgierigheid naar de wereld.
Kinderen ontwikkelen meer belangstelling voor algemene principes en kunnen de
principes begrijpen en opnemen → Belangstelling voor wetmatigheden.
De individuele verschillen tussen kinderen vragen om verschillende leerdoelen en
gedifferentieerde instructies.