Tentamen Inleiding Intellectueel
Eigendom Eerste kans
[Zes vragen, tien punten per vraag. 60 punten maximaal. 33 punten voor een 5,5]
Vraag 1. Auteursrecht I 3/10
Hendrik schrijft in zijn vrije tijd graag verhalen over avonturiers en monsterslangen.
Veel van zijn verhalen worden gebruikt door spelers van het spel ‘Kelders en
Koningspythons’. Aan de hand van de verhalen van Hendrik kunnen spelers nieuwe
avonturen beleven in het spel. Overdag is Hendrik kinderboekenschrijver bij een
grote uitgever. Aan de hand van verzoeken of illustraties schrijft hij de meest
uiteenlopende verhalen. Van schattige konijnen tot woeste arenden, alles komt
voorbij.
Hendriks werkgever weet van de verhalen die Hendrik schrijft voor Kelders en
Koningspythons. Dit was nooit een probleem, tot ze er achter komen dat spelers
ondertussen bereid zijn een aardig zakcentje neer te leggen voor Hendriks verhalen.
Zij menen dat - net als bij de kinderboeken die Hendrik schrijft - het auteursrecht bij
hen ligt. Hendrik gaat hier niet in mee. ‘Ik schrijf die verhalen toch niet voor niets in
mijn eigen tijd, waar bemoeit mijn werkgever zich mee’, aldus Hendrik.
Wie is auteursrechthebbende van de verhalen die Hendrik bij of voor Kelders en
Koningspythons heeft geschreven en waarom? Ga in op de argumenten van beide
partijen.
Allereerst moeten we kijken of er sprake is van een werk zoals in art. 1 jo. 10 Aw. De
verhalen zijn voldoende nauwkeurig en objectief identificeerbaar (Levola/Smilde). Het
betreft geen smaak of geur zoals in het Lancome arrest. Daarnaast is er sprake van een
eigen intellectuele schepping (EIS) zoals uit het Infopaq arrest. Er is sprake van een
persoonlijke stempel en een eigen oorspronkelijk karakter bij het schrijven van verhalen.
Twee mensen afzonderlijk van elkaar zouden niet precies hetzelfde verhaal schrijven. Er
is dus altijd een persoonlijke stempel en eigen oorspronkelijke karakter. Iedereen
gebruikt net andere zinnen/woorden, iedereen heeft andere ideeen voor verhalen etc. Er
zullen nooit precies dezelfde verhalen geschreven worde afzonderlijk van elkaar.
Er is geen sprake van een uitzondering uit art. 11 Aw en geen sprake van een technische
vorm. De verhalen van Hendrik zijn dus aan te merken als een werk zoals in art. 1 jo. 10
Aw.
Wie is dan de rechthebbende van dat werk? Het vermoeden bestaat uit art. 1 jo. 4 Aw
dat de maker ook de rechthebbende is. Echter blijkt uit de casus van een andere
rechthebbende, namelijk de werkgever. Dit staat in art. 7 Aw. Er is namelijk sprake van
een dienstverband. In beginsel kan dus gesteld worden dat de werkgever van Hendrik
rechthebbende is. Echter blijkt uit de casus dat Hendrik de verhalen schrijft buiten
, werktijd. Hierdoor kan de werkgever geen beroep doen op art. 7 Aw. De maker, Hendrik,
is dus rechthebbende.
De auteursrechthebbende van de verhalen die Hendrik bij of voor Kelders en
Koningspythons heeft geschreven is Hendrik zelf, omdat hij de maker is en er geen
andere rechthebbenden zijn ex art. 1 jo 4 jo. 10 Aw. Ook heeft Hendrik het auteursrecht
niet overgedragen zoals in art. 2 Aw.
De casus geeft geen aanleiding om te twijfelen over de vraag of de verhalen een
werk in de zin van de auteurswet zijn (art. 1 jo. 10 lid 1 onder 1 Aw). Sprake van
Eigen Intellectuele Schepping (Infopaq) en voldoende nauwkeurig en objectief
bepaalbaar (Levola/Smilde) (2 punt.)
De vraag is wie de auteursrechthebbende is, wie als maker aangemerkt kan
worden. Normaal is dat de schepper, in dit geval Hendrik ex art. 1 Aw. (2 pnt)
Artikel 7 bepaalt dat de werkgever als maker aangemerkt kan worden. Het is niet
vereist dat het werk onder werktijd gemaakt is, maar wel tijdens dienstverband. (2
pnt)
Dat lijkt hier het geval. Nu het schrijven van verhalen iets is dat Hendrik voor zijn
werkgever doet. ( 2 pnt) (krachtens dienstbetrekking). Hier gaat het om het
schrijven van verhalen, dus het auteursrecht, nu er niks anders afgesproken is, ligt
ex art. 7 Aw bij de werkgever. (2 pnt)
NB artikel 4 is een bewijsvermoeden, artikel 1 (en 5 t/m 9) bepaalt wie maker is.
NB2 Overschrijven wetsartikel levert geen punten op.
Vraag 2. Auteursrecht II 1/10
Bendrik tekent graag in zijn vrije tijd. Het allermooiste vindt hij ‘tekenen’ in de
openbare ruimte. Dat wil zeggen: graffiti spuiten. Om ook later zijn spuitbussen te
kunnen betalen, studeert hij dagelijks in de UB. Hij hoopt zo een goede baan te
krijgen en zich de rest van de tijd te kunnen richten op zijn graffiti-kunsten.
Zodoende loopt Bendrik ook dagelijks langs de muurschildering van Aletta Jacobs.
Als hij op een avond met toch wel wat drank op uit de Dog’s Bollocks komt
gewandeld, besluit hij Aletta te bewerken. Binnen de kortste keren heeft Aletta een
flinke krulsnor en een brilletje op. Voordat iemand hem gezien heeft, is Bendrik
alweer verdwenen.
Enigszins onverstandig heeft Bendrik geen rekening gehouden met de camera’s op
het broerplein. Het duurt dan ook niet lang voor er een brief op zijn deurmat valt,
met daarin een rekening voor de schoonmaak- en herstelkosten van de
muurschildering van Aletta. Bendrik zou met zijn graffiti een inbreuk hebben
gemaakt op het auteursrecht van de twee schilders van de muurschildering.
Bendrik is boos. ‘Dit is toch overduidelijk een pastiche of op z’n minst een parodie!’
Eigendom Eerste kans
[Zes vragen, tien punten per vraag. 60 punten maximaal. 33 punten voor een 5,5]
Vraag 1. Auteursrecht I 3/10
Hendrik schrijft in zijn vrije tijd graag verhalen over avonturiers en monsterslangen.
Veel van zijn verhalen worden gebruikt door spelers van het spel ‘Kelders en
Koningspythons’. Aan de hand van de verhalen van Hendrik kunnen spelers nieuwe
avonturen beleven in het spel. Overdag is Hendrik kinderboekenschrijver bij een
grote uitgever. Aan de hand van verzoeken of illustraties schrijft hij de meest
uiteenlopende verhalen. Van schattige konijnen tot woeste arenden, alles komt
voorbij.
Hendriks werkgever weet van de verhalen die Hendrik schrijft voor Kelders en
Koningspythons. Dit was nooit een probleem, tot ze er achter komen dat spelers
ondertussen bereid zijn een aardig zakcentje neer te leggen voor Hendriks verhalen.
Zij menen dat - net als bij de kinderboeken die Hendrik schrijft - het auteursrecht bij
hen ligt. Hendrik gaat hier niet in mee. ‘Ik schrijf die verhalen toch niet voor niets in
mijn eigen tijd, waar bemoeit mijn werkgever zich mee’, aldus Hendrik.
Wie is auteursrechthebbende van de verhalen die Hendrik bij of voor Kelders en
Koningspythons heeft geschreven en waarom? Ga in op de argumenten van beide
partijen.
Allereerst moeten we kijken of er sprake is van een werk zoals in art. 1 jo. 10 Aw. De
verhalen zijn voldoende nauwkeurig en objectief identificeerbaar (Levola/Smilde). Het
betreft geen smaak of geur zoals in het Lancome arrest. Daarnaast is er sprake van een
eigen intellectuele schepping (EIS) zoals uit het Infopaq arrest. Er is sprake van een
persoonlijke stempel en een eigen oorspronkelijk karakter bij het schrijven van verhalen.
Twee mensen afzonderlijk van elkaar zouden niet precies hetzelfde verhaal schrijven. Er
is dus altijd een persoonlijke stempel en eigen oorspronkelijke karakter. Iedereen
gebruikt net andere zinnen/woorden, iedereen heeft andere ideeen voor verhalen etc. Er
zullen nooit precies dezelfde verhalen geschreven worde afzonderlijk van elkaar.
Er is geen sprake van een uitzondering uit art. 11 Aw en geen sprake van een technische
vorm. De verhalen van Hendrik zijn dus aan te merken als een werk zoals in art. 1 jo. 10
Aw.
Wie is dan de rechthebbende van dat werk? Het vermoeden bestaat uit art. 1 jo. 4 Aw
dat de maker ook de rechthebbende is. Echter blijkt uit de casus van een andere
rechthebbende, namelijk de werkgever. Dit staat in art. 7 Aw. Er is namelijk sprake van
een dienstverband. In beginsel kan dus gesteld worden dat de werkgever van Hendrik
rechthebbende is. Echter blijkt uit de casus dat Hendrik de verhalen schrijft buiten
, werktijd. Hierdoor kan de werkgever geen beroep doen op art. 7 Aw. De maker, Hendrik,
is dus rechthebbende.
De auteursrechthebbende van de verhalen die Hendrik bij of voor Kelders en
Koningspythons heeft geschreven is Hendrik zelf, omdat hij de maker is en er geen
andere rechthebbenden zijn ex art. 1 jo 4 jo. 10 Aw. Ook heeft Hendrik het auteursrecht
niet overgedragen zoals in art. 2 Aw.
De casus geeft geen aanleiding om te twijfelen over de vraag of de verhalen een
werk in de zin van de auteurswet zijn (art. 1 jo. 10 lid 1 onder 1 Aw). Sprake van
Eigen Intellectuele Schepping (Infopaq) en voldoende nauwkeurig en objectief
bepaalbaar (Levola/Smilde) (2 punt.)
De vraag is wie de auteursrechthebbende is, wie als maker aangemerkt kan
worden. Normaal is dat de schepper, in dit geval Hendrik ex art. 1 Aw. (2 pnt)
Artikel 7 bepaalt dat de werkgever als maker aangemerkt kan worden. Het is niet
vereist dat het werk onder werktijd gemaakt is, maar wel tijdens dienstverband. (2
pnt)
Dat lijkt hier het geval. Nu het schrijven van verhalen iets is dat Hendrik voor zijn
werkgever doet. ( 2 pnt) (krachtens dienstbetrekking). Hier gaat het om het
schrijven van verhalen, dus het auteursrecht, nu er niks anders afgesproken is, ligt
ex art. 7 Aw bij de werkgever. (2 pnt)
NB artikel 4 is een bewijsvermoeden, artikel 1 (en 5 t/m 9) bepaalt wie maker is.
NB2 Overschrijven wetsartikel levert geen punten op.
Vraag 2. Auteursrecht II 1/10
Bendrik tekent graag in zijn vrije tijd. Het allermooiste vindt hij ‘tekenen’ in de
openbare ruimte. Dat wil zeggen: graffiti spuiten. Om ook later zijn spuitbussen te
kunnen betalen, studeert hij dagelijks in de UB. Hij hoopt zo een goede baan te
krijgen en zich de rest van de tijd te kunnen richten op zijn graffiti-kunsten.
Zodoende loopt Bendrik ook dagelijks langs de muurschildering van Aletta Jacobs.
Als hij op een avond met toch wel wat drank op uit de Dog’s Bollocks komt
gewandeld, besluit hij Aletta te bewerken. Binnen de kortste keren heeft Aletta een
flinke krulsnor en een brilletje op. Voordat iemand hem gezien heeft, is Bendrik
alweer verdwenen.
Enigszins onverstandig heeft Bendrik geen rekening gehouden met de camera’s op
het broerplein. Het duurt dan ook niet lang voor er een brief op zijn deurmat valt,
met daarin een rekening voor de schoonmaak- en herstelkosten van de
muurschildering van Aletta. Bendrik zou met zijn graffiti een inbreuk hebben
gemaakt op het auteursrecht van de twee schilders van de muurschildering.
Bendrik is boos. ‘Dit is toch overduidelijk een pastiche of op z’n minst een parodie!’