Hoofdstuk 3 - Eigen lichaam en gezond gedrag
Inleiding
Het hoofdstuk “Eigen lichaam en gezond gedrag” gaat over het leren over het menselijk
lichaam door middel van ontdekkend leren.
De term ‘eigen lichaam’ benadrukt dat je het lichaam het beste leert begrijpen door zelf te
experimenteren met je eigen lichaam.
Didactiek = de manier waarop je iets aan iemand leert. Het gaat dus over hoe je lesgeeft,
niet alleen wat je lesgeeft.
Didactiek omvat alles wat te maken heeft met het leerproces van leerlingen, zoals:
- Wat je aanbiedt (de leerinhoud)
- Hoe je dat doet (werkvormen, materialen, activiteiten)
- Waarom je dat doet (het doel van de les)
- Hoe je controleert of het is geleerd (evaluatie en reflectie)
Mensen hebben, net als dieren, een aantal basisbehoeften die nodig zijn om te kunnen
overleven. Deze zijn:
- Voeding en drinken → voor energie en bouwstoffen
- Bescherming tegen gevaar → bijvoorbeeld kleding, onderdak, veiligheid
- Voortplanting → om de soort in stand te houden
Om aan deze behoeften te voldoen, voert het menselijk lichaam allerlei levensprocessen uit
die met elkaar verbinden zijn, zoals:
- Spijsvertering → zorgt voor opname van voedingsstoffen
- Ademhaling → zorgt voor zuurstof in het lichaam
- Bloedsomloop → vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar alle cellen
Samen zorgen deze processen ervoor dat het lichaam in leven blijft en goed functioneert.
Kerndoel 41: de leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de
vorm van functie van hun onderdelen.
In dit deel van het hoofdstuk leer je over de bouw en werking van het menselijk lichaam, met
aandacht voor:
- Zintuigen → zorgen dat we prikkels uit de omgeving waarnemen.
- Skelet → geeft vorm, steun en bescherming aan het lichaam.
- Spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop, afweer en voortplanting → systemen die
samenwerken om het lichaam gezond te houden.
Er wordt ook gekeken naar verschillen met andere zoogdieren, vooral in de bouw van het
skelet (bijvoorbeeld rechtop lopen bij mensen).
Het thema menselijk lichaam wordt gekoppeld aan het leergebied ‘gezond en redzaam
gedrag’.
Dat betekent dat je niet alleen leert hoe het lichaam werkt, maar ook hoe je goed voor je
lichaam zorgt.
Voorbeelden:
- Voeding en inspanning/rust → hangen samen met spijsvertering, ademhaling en
bloedsomloop → bijvoorbeeld hoe beweging je hartslag en ademhaling beïnvloedt.
, - Infectieziekten → worden besproken bij het afweersysteem.
- Seksualiteit en voortplanting → worden samen behandeld in de laatste paragraaf,
met aandacht voor lichamelijke en sociale aspecten.
Kerndoel 34: de leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische
gezondheid van henzelf en anderen.
Paragraaf 3.1 - Waarneming
Inzichten:
1. Zintuigen maken het voor mensen en dieren mogelijk in hun omgeving
waar te nemen. De biologische functie hiervan is dat zij gevaar kunnen ver-
mijden, voedsel en water kunnen machtigen en een partner kunnen vinden voor de
voortplanting.
2. Zintuigen bevatten zenuwcellen die oorzaak zijn voor één bepaalde prikkel,
zoals licht of geluid. De zenuwcellen zetten de prikkel om in een elektrisch
signaal dat naar de hersenen gaat.
3. De werkelijke waardebepaling van de zintuiglijke afdrukken vindt plaats in
de hersenen. De hersenen verwerken van de informatie die zij ontvangen uit de
zintuigen. Vervolgens kunnen zij het lichaam aansturen om hier te reage-
ren door middel van adequaat gedrag
Afbeeldingen kunnen op verschillende manieren worden gezien doordat onze ogen en
hersenen samenwerken. Bij het besturen van zintuigen is het niet alleen belangrijk om te
begrijpen hoe ze werken, maar ook om inzicht te krijgen in hun biologische functie. Zintuigen
zijn namelijk noodzakelijk om te kunnen overleven.
Paragraaf 3.1.1 - Zintuigen om te overleven
Mensen hebben basisbehoeften om te overleven: voldoende eten en drinken, bescherming
tegen gevaar en voortplanting. Zintuigen spelen een belangrijke rol doordat ze mensen en
dieren in staat stellen voedsel, water, gevaar of een partner waar te nemen. Op basis van
deze waarnemingen kan men adequaat reageren, zoals eten, gevaar vermijden of een
partner aantrekken. Waarneming en gedrag zijn daardoor nauw verbonden.
Voorbeelden uit het dagelijks leven zijn:
- Warmtezintuigen waarschuwen wanneer iets te heet is, zodat je voorzichtig bent met
bijvoorbeeld een beker koffie.
- Pijnzintuigen zorgen voor een snelle reactie bij bijvoorbeeld het stappen op een
punaise.
- Reuk- en smaakzintuigen helpen bedorven of giftig voedsel te herkennen, zodat je
het niet eet.
- Zintuigen spelen ook een rol bij aantrekkelijkheid, bijvoorbeeld door geuren, uiterlijk
en stemgebruik.
Zintuigen zijn niet alleen belangrijk voor overleving, maar ook voor non-verbale
communicatie zoals het herkennen van emoties en knuffelen. Daarnaast zorgen ze ervoor
dat je kunt genieten van muziek, lekker eten en een warm bad.
,Paragraaf 3.1.2 - De samenwerking tussen zintuigen, hersenen en spieren
Zintuigen ontvangen prikkels zoals licht en geluid. Ze zetten deze prikkels om in elektrische
signalen die via zintuigzenuwen naar de hersenen worden gestuurd. In de hersenen worden
deze signalen verwerkt en vergeleken met eerder opgeslagen informatie, waardoor de
prikkel betekenis krijgt. Vervolgens bepalen de hersenen welke reactie nodig is en sturen via
bewegingszenuwen elektrische signalen naar spieren. Deze spieren trekken zich samen,
waardoor er een beweging of gedrag ontstaat. Zenuwen vormen de verbinding tussen
zintuigen, hersenen en spieren en zorgen voor snelle communicatie. Het ruggenmerg is een
belangrijke bundel zenuwen die signalen tussen hersenen en lichaam doorgeeft.
Afbeelding 3.1.2a blz 149 en afbeelding 3.1.2b blz 150
Sommige zintuiglijke informatie wordt niet direct naar de hersenen gestuurd, maar gaat eerst
via het ruggenmerg. Dit wordt een reflex genoemd. Hierbij stuurt een zintuigzenuw de prikkel
naar het ruggenmerg, dat direct een signaal via een bewegingszenuw naar de spier geeft,
waardoor er een snelle reactie plaatsvindt. Een voorbeeld is het terugtrekken van je voet
wanneer je op een punaise stapt; deze reactie gebeurt voordat je hersenen beseffen.
Reflexen zijn automatische reacties die buiten onze wil om gebeuren. Bekende reflexen zijn
onder andere de kniepeesreflex, de hoest-, nies-, slik- en pupilreflex. De meest zintuiglijke
informatie gaat wel eerst naar de hersenen, waar het verder wordt verwerkt.
Afbeelding 3.1.2c
Bij een proef waarbij je met twee vingers een voorwerp voelt, lijkt het alsof je twee
neustoppen hebt. Dit komt doordat je hersenen weten dat de aanrakingen aan de
verschillende kanten van je vingers niet tegelijk van hetzelfde object kunnen komen. Daarom
interpreteren je hersenen de signalen als het voelen van twee verschillende objecten.
Als een stip op ongeveer twintig centimeter van je oog is en de je andere oog met je hand
bedekt hebt, verdwijnt deze uit beeld doordat het op de blinde vlek van het netvlies valt,
waar geen zintuigcellen zitten. Toch zie je geen zwart gat, omdat je hersenen het beeld
aanvullen. Daarnaast filteren je hersenen zintuiglijke informatie zodat je niet door alle
prikkels overweldigd raakt. Ze selecteren wat belangrijk is, tenzij het ineens gevaar betekent.
Bij een hersenschudding werkt dit filter tijdelijk niet goed, waardoor je te veel prikkels
ervaart.
Paragraaf 3.1.3 - De belangrijkste zintuigen
De mens heeft niet alleen de bekende vijf zintuigen, maar veel meer. Zo bestaat het gevoel
uit meerdere zintuigen, zoals tast-, warmte-, koude- en pijnzintuigen. Het is belangrijk om
onderscheid te maken tussen prikkels, zintuigen en organen. Een orgaan is een
lichaamsdeel met één of meerdere functies, opgebouwd uit verschillende weefsels, zoals
spier- en zenuwweefsel. De huid is een orgaan dat bescherming biedt en gespecialiseerde
zintuigen zijn om prikkels zoals druk, warmte, kou en beschadigingen waar te nemen. Soms
vallen de zintuigen en organen samen, bijvoorbeeld bij het oog.
Oog
Licht komt het oog binnen via de pupil, waarvan de grootte wordt aangepast door kleine
spieren zonder dat je er zelf controle over hebt (pupilreflex). Bij fel licht wordt de pupil kleiner
om het oog te beschermen, bij weinig licht groter om meer licht naar binnen te laten. Licht
beweegt in een rechte lijn, waardoor licht dat boven op het netvlies komt onder wordt
geprojecteerd. De consequentie hiervan is dat beelden altijd omgekeerd op het netvlies
worden geprojecteerd. De hersenen draaien dit beeld om, zodat wij de wereld recht zien.
, Het beeld op het netvlies is kleiner dan het echte object doordat de lens het licht buigt en
bundelt.
Afbeelding 3.1.3b blz 154
De zintuigcellen van het oog zitten in het netvlies en heten staafjes en kegeltjes. Kegeltjes
nemen kleuren waar, vooral in de gele vlek waar ze dicht op elkaar zitten. Staafjes
onderscheiden geen kleur, maar wel lichtsterkte en contrast, waardoor je in het donker
alleen zwart, wit en grijstinten ziet. Omdat staafjes gevoeliger zijn voor licht, werken ze beter
bij weinig licht.
Afstand inschatten met één oog is lastig, omdat je minder diepte-informatie hebt. Met twee
ogen krijg je informatie uit twee verschillende hoeken, wat de hersenen combineren tot
dieptezicht. Roofdieren hebben hun ogen aan de voorkant van het hoofd om afstand tot hun
prooi beter te schatten, terwijl prooidieren ogen aan de zijkant hebben voor een groter
gezichtsveld om roofdieren te zien aankomen. Dit toont aan dat zintuigen cruciaal zijn voor
overleven.
Gehoor- en evenwichtsorgaan
Het gehoor- en evenwichtsorgaan bestaat uit twee delen: het gehoororgaan en het vaak
vergeten evenwichtsorgaan. Het gehoororgaan is opgedeeld in drie delen:
1. Uitwendig oor: bestaat uit de oorschelp, gehoorgang en het trommelvlies. De
oorschelp vangt geluid op en leidt het naar de gehoorgang, waardoor het
trommelvlies gaat trillen.
2. Middenoor: bevat de drie gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel). Deze
kleinste botjes van het lichaam versterken de trilling van het trommelvlies en geven
deze door aan het binnenoor.
3. Binnenoor: bevat het slakkenhuis, een met vloeistof gevuld, spiraalvormig
gangenstelsel. De trilling wordt via de stijgbeugel aan de vloeistof doorgegeven. In
het slakkenhuis bevinden zich de zintuigcellen met haartjes. Wanneer de vloeistof
beweegt, bewegen de haartjes en zetten de zintuigcellen de trilling om in elektrische
signalen. Deze signalen gaan via de gehoorzenuw naar de hersenen, die ze
interpreteren als geluid.
Het slakkenhuis is een vloeistof gevuld kanaal. De trillingen die via de gehoorbeentjes
(specifiek de stijgbeugel) worden aangevoerd, worden overgebracht op deze vloeistof.
Binnenin de spiraalvormige gang bevinden zich zintuigcellen met kleine haartjes. Wanneer
de vloeistof beweegt, bewegen deze haartjes mee. Deze beweging zet de zintuigcellen aan
om een elektrisch signaal af te geven aan de hersenen, die dit signaal interpreteren als
geluid.
- Hogere tonen - stimuleren zintuigcellen aan het begin van het slakkenhuis.
- Lagere tonen - dringen verder door in het slakkenhuis.
Afbeelding 3.1.3e op blz 157
Bij het opstijgen of dalen van een vliegtuig kan oorpijn ontstaan. Dit komt doordat de
luchtdruk in de cabine verandert, waardoor de lucht in het middenoor harder tegen de
binnenkant van het trommelvlies duwt. Het trommelvlies bolt naar buiten, wat pijn
veroorzaakt.
Normaal gesproken wordt de druk snel gelijkgetrokken via de buis van Eustachius (die als
een ventiel werkt). Dit wordt ervaren als een ‘plop’ en kan worden versneld door te slikken.