Ideografische benadering: hoe mensen zijn als geen andere mensen. Bestuderen van de
unieke details van iemands persoonlijkheid en het ontstaan hiervan. Inefficiënt. Kan niet
testen of de ideeën correct zijn en niet generaliseren.
Nomothetische benadering): hoe mensen zijn zoals sommige andere mensen. Mensen
vergelijken om te zoeken naar algemene regels over persoonlijkheid. Kijken naar grote
groepen. Onderzoeken of twee persoonlijkheidsvariabelen samenhang hebben.
Standaard scores (z scores): scores met betekenisvolle verschillen. Gelijke
verschillen/intervallen tussen scores die een verschil Laten zien in het level van de
eigenschap. Rekening houden met de verschillen tussen individuele scores en de
gemiddelde score en de variatie (standaard deviatie) van de score.
Correlatiecoëfficiënt (r): toont aan hoe sterk twee variabelen met elkaar samenhangen,
berekent met de standaard score en uitgedrukt in z-scores. Nul betekent geen
samenhang. Een is perfect positief gecorreleerd, hoe hoger x hoe hoger y. Min 1 is
negatieve correlatie, hoe hoger x hoe lager y moet zijn
Voorbeeld: correlatie tussen x en y is .50, Persoon zit twee SD boven gemiddelde
op variatie x dan is het gemiddelde level op variabele y een SD boven het gemiddelde
Soms kan een gemiddelde correlatie waardevolle informatie geven over grote groepen
ondanks dat het weinig vertelt over een persoon
Voorbeeld: Een persoonlijkheidseigenschap correleert .25 met een uitkomst
variabele. Dit betekent dat Mensen met hoge levels van de karakteristiek gemiddeld 0.5
SD boven het gemiddelde van de uitkomst variabelen zitten. Daarom zit er ongeveer een
SD verschil In de uitkomst variabelen tussen Mensen die hoog scoren en Mensen die laag
scoren op de persoonlijkheidseigenschap
Meetinstrumneten voor interne betrouwbaarheid;
Spearman-Brown Formule
Cronbach’s alpha: Verschillencorrelaties tussen de items en de verschillen In de items SD
Split items: Van elke helft individuele score berekenen en correlatie vinden tussen de
twee helften
Criteria validiteit: relaties van meetinstrument met een uitkomst/criteria variabele met
praktische significantie. Bijvoorbeeld voorspellen toekomst uitkomsten. Criteria variabele
kan afhankelijk zijn van het construct dat het meetinstrument meet Daarom vaak geen
hoge correlaties
Meetmethoden
- zelfrapportages: gestructureerd en objectief. Zelfde set van vragen en vaststaande set
van antwoorden tot op de vraag. Zo mening volle vergelijkingen maken. Vragen over
relateerde gedragingen om iets te kunnen zeggen over een eigenschap. Duidelijk
construct uitleggen zodat respondent het begrijpt. Vaak combinatie van items die gaan
over gedrag gevoelens en gedachtes en items over rating geven van eigenschapen.
- observeerder rapportages: iemand die respondent goed kent. Soms objectiever dan
zelfrapportage maar kan ook goede indruk willen geven en kent niet alles van innerlijke
wereld respondent.
- directe observaties: in moment observeren. Meten van een eigenschap door frequentie
of intensiteit te bekijken. Natuurlijke omgeving. Kan ook in opgezette omgeving
(laboratorium).
- bio data (levens uitkomst data): objectieve indicatoren van gedrag. Alleen niet altijd
duidelijk of dat stukje informatie over iemands leven een accuraat indicatie is van het
persoonlijkheidseigenschap dat wordt gemeten. Uitkomst kan beïnvloed zijn door andere
omstandigheden die niet te maken hebben met persoonlijkheid. Denk aan gemiddelde
cijfers op school. Deze data geeft een beetje indirecte informatie over iemands
persoonlijkheid.
1
, Sterke correlatie tussen zelfrapportages en observeerder rapportages met sterke
convergente validiteit. Ook sterke correlatie tussen observeer rapportages van twee
verschillende Mensen. Zelf- en observator rapportages zijn snel en efficiënt met goede
levels van betrouwbaarheid en validiteit.
- Verschillen tussen individuen: beschrijving van een individueel persoonlijkheid is
betekenisvol in vergelijking met anderen
- typische manier hoe zij gedragen denken of voelen: gaat over de kans hoe iemand
bepaald gedrag of gedachtes gevoelens heeft.
- In conceptueel gerelateerde manieren: eigenschap is uitgedrukt in verschillend
gedrag gedachten en gevoelens die een overkoepelend psychologisch element
hebben.
- In verschillende relevante situaties: Eigenschap komt naar voren in verschillende
settingen waar Mensen verschillend gedrag Laten zien
- voor een lange periode van tijd: patronen, stabiel, paar jaar.
Variantie in gedrag is variantie tussen personen. Situatie die Mensen ervaren zijn niet
altijd onafhankelijk van persoonlijkheid, Mensen komen of vermijden verschillende
situaties als een functie van hun persoonlijkheid. Extrovert feestjes.
Factor analyse: correlaties tussen variabelen categoriseren in ‘groepen’. Sterk bij elkaar.
BIG 5: Intellect/ Verbeelding werd Openheid tot Ervaring in Five-Factor model
HEXACO: Extraversie, Consciëntie en Openheid hetzelfde. Vriendelijkheid en
Emotionaliteit zijn grotendeels zelfde als in Big5, net beetje anders. Integriteit is mild
gerelateerd met Big5.
Integriteit daalt tijdens pubertijd en groeit bij volwassenheid, binnen de smallere trekken
dit ook. Per facet van een dimensie verschilt dit. Bij Extraversie groei bij volwassenheid,
maar sociale wenselijkheid daalt. Consciëntieusheid daalt bij volwassenheid, maar
perfectionisme weer niet.
Vaak sterke correlaties tussen levels persoonlijkheidstrek in verschillende levensjaren.
Individuele verschillen stabieler bij jongvolwassenheid (<30 ste) dan tijdens volwassenheid.
In kindertijd meten lastig, verschil tussen kids blijft bestaan.
- Integriteit: verminderd bij pubers, verhoogd bij volwassenheid. Ook binnen de
trekken. 1SD hoger bij 60 jaar dan 18 jaar.
- Emotionaliteit: Verschillen afhankelijk van factor. Angst verminder na vroege
volwassenheid, sentimentaliteit verhoogd.
- Extraversie: Leeftijdsverschillen hangen af van factor. Zelfvertrouwen en sociale
durf (assertiviteit, sociaal vertrouwen) nemen toe bij volwassenheid, maar sociale
vaardigheid toe bij pubers en afname in vroege 20e jaren. Meeste traits hoger.
- Verdraagzaamheid: Leeftijdsverschillen klein. Kleine afname tijdens 20-30 jaar,
kleine afname rond 40 en later. HEXACO= geduld en vergevingsgezind. B5=
altruïsme, kleine groei tijdens volwassenheid.
- Consciëntieusheid: Groei tijdens puberteit en vroege 20, daarna afhankelijk van
factoren. Voorzichtigheid (impuls controle) neemt toe bij vroege en middel
volwassenheid, perfectionisme blijft hetzelfde. Andere factoren kleine stijging.
- Openheid voor Ervaring: Leeftijdsverschillen wisselend bij studies. Stijging in
puberteit, in volwassenheid afhankelijk van factor. Intellectuele nieuwsgierigheid
en astatische waardering nemen toe bij volwassenen, onconventioneel daalt.
Persoonlijkheidstrekken veranderen door; sociale rollen en biologische rijping.
Relatieve uiting persoonlijkheid factor- level relatief tov anderen- stabiel over jaren.
In puberteit wat veranderingen. Ook afhankelijk van situaties. In adolescentie meer
stabiel dan tijdens volwassenheid. Bij kinderen structuur moeilijk te meten. Typische kind
lager in Extraversie, hoog in Verdraagzaamheid en hoger in Consciëntieusheid. Lager in
Emotionele stabiliteit bij 3-6, lager in Openheid Ervaring 8-15. Vroege kindertijd en middel
kindtijd redelijk stabiel.
2