Biologie H5
§1 ecologie op alle organisatieniveaus
Biotische factoren = invloeden afkomstig van de levende natuur
soortgenoten, predatoren, prooidieren, ziekteverwekkers
Abiotische factoren = invloeden afkomstig van de levenloze natuur
klimaat, zuurstofgehalte in water
Emergente eigenschappen = eigenschappen specifiek voor een bepaald niveau.
- Organisme leeftijd, geslacht
- Populatie dichtheid, geboortecijfer
- Ecosysteem stof- en energiestromen, relaties tussen populaties
- Biosfeer samenstelling dampkring
§2 organismen
Bodemgeschiktheid:
- Zand heeft grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water en kan water goed vasthouden
- Klei heeft kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water, kan water goed vasthouden
- Humus verbetert structuur van de bodem en gaat uitspoeling van zouten naar diepere bodemlagen tegen
- De pH van de bodem is van invloed op de plantengroei
- Sommige planten hebben hoge concentraties van bepaalde zouten nodig
- Grondwater is van belang voor zowel planten als dieren
Licht:
- Zonplanten groeien het best bij een hoge lichtintensiteit, schaduwplanten het best bij een lage
lichtintensiteit
- De daglengte heeft bij veel organismen invloed op het tijdstip van voortplanting
- In zeeën en oceanen dringt alleen licht door in de bovenste lagen
Water:
- Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met dunne cuticula en
veel huidmondjes
- Landplanten in een droog milieu hebben goed ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met een dikke cuticula
en weinig huidmondjes (onderkant blad)
- Waterplanten hebben kleine of geen wortelstelsels, vaak luchtkanalen in de stengels, grote en slappe
bladeren en huidmondjes aan de bovenkant van de bladeren
- Dieren in een vochtig milieu hebben en huid die doordringbaar is voor water en sterk verdund urine
- Dieren in een droog milieu hebben een huid die ondoordringbaar is voor water
- Waterdieren hebben een bepaald zuurstofgehalte (> 5 mg/L)
Temperatuur:
- De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur
- Bij een lage temperatuur kunnen poikilotherme (koud) dieren niet actief zijn
- In warme gebieden zijn de lichaamsuitsteeksels bij homoiotherme (warm) dieren groter dan in koude
- Extremofielen = organismen die in extreme gebieden leven (bijv. in vulkaan)
Tolerantie = het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te verdragen
Verspreidingsgebied = het gebied op aarde waar individuen van een bepaalde soort voorkomen
- Soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied
- De tolerantiegrenzen (het minimum en maximum)
- Het tolerantiegebied (het traject tussen minimum en maximum)
- Het optimum (de gunstigste waarde)
§3 populatie
, Competitie:
- Binnen populatie:
- Beschikbare voedsel te sterke competitie wordt tegengegaan door specialisatie en territorium
- voortplanting
- Natuurlijke selectie individuen die het zwaks zijn of het minst aangepast aan het milieu, hebben de
minste overlevingskans
- Tussen populaties:
- Minder sterk dan binnen een populatie
- Niche (nis) = de rol die een soort speelt in het geheel van relaties in een ecosysteem
Coöperatie:
- Binnen een populatie:
- Bescherming, voedsel of voortplanting
- Samenwerking in paren, groepen of staten
- Tussen populaties:
- Verkrijgen van voedsel mutualisme
- Voortplanting
Symbiose = langdurige samenleving van individuen van verschillende soorten
- Mutualisme = individuen van beide soorten hebben beide voordeel korstmossen
- Commensalisme = individuen van de ene soort hebben voordeel en de ander geen voor - of nadeel
boomalgen
- Parasitisme = individuen van de ene soort hebben voordeel en de andere heeft nadeel. Een parasiet leeft
op of in een individu van een andere soort en onttrekt er voedsel aan vlooien
Populatiedichtheid = gemiddeld aantal organismen van een soort per opp-eenheid op per volume-eenheid
Biologische evenwicht = een toestand waarin de populatiedichtheid van elke soort in een ecosysteem
schommelt op een bepaalde waarde
Individuen binnen een populatie kunnen op verschillende manieren voorkomen binnen die populatie
in groepen, regelmatig verspreid of willekeurig verspreid.
Factoren die van invloed zijn op de populatiedichtheid:
- Dichtheidsafhankelijke factoren: predatie, parasitisme, ziekte of voedselconcurrentie
- Dichtheidsonafhankelijke factoren: meestal veroorzaakt door klimaat of mens
Als de dichtheid groter wordt toename predatie, parasitisme en ziekten minder voedsel daling
populatie afname predatie, parasitisme en ziekten meer voedsel stijging populatiedichtheid
Draagkracht = de maximale populatiegrootte over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd
- Na instorting kan zich een nieuw biologisch evenwicht instellen, meestal met een lagere draagkracht
Telmethode
- Kwadrantmethode: in bepaald ecosysteem worden kwadranten uitgezet en binnenin tellingen gedaan
- Transectmethode: in bepaald ecosysteem wordt 1 langwerpige proefstrook uitgezet waarin tellingen
- Terugvangmethode: hierbij worden 2 vangsten uitgevoerd en daarbij bepaald hoe groot populatie is
- 1e vangst: aantal gevangen dieren merken 2e vangst: aantal gemerkte dieren tellen formule
Populatiegroei kan plaatsvinden als er een nieuwe soort vestigt in een ecosysteem als de soort goed is
aangepast aan het nieuwe milieu, vindt in de beginfase exponentiële groei plaats
§1 ecologie op alle organisatieniveaus
Biotische factoren = invloeden afkomstig van de levende natuur
soortgenoten, predatoren, prooidieren, ziekteverwekkers
Abiotische factoren = invloeden afkomstig van de levenloze natuur
klimaat, zuurstofgehalte in water
Emergente eigenschappen = eigenschappen specifiek voor een bepaald niveau.
- Organisme leeftijd, geslacht
- Populatie dichtheid, geboortecijfer
- Ecosysteem stof- en energiestromen, relaties tussen populaties
- Biosfeer samenstelling dampkring
§2 organismen
Bodemgeschiktheid:
- Zand heeft grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water en kan water goed vasthouden
- Klei heeft kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water, kan water goed vasthouden
- Humus verbetert structuur van de bodem en gaat uitspoeling van zouten naar diepere bodemlagen tegen
- De pH van de bodem is van invloed op de plantengroei
- Sommige planten hebben hoge concentraties van bepaalde zouten nodig
- Grondwater is van belang voor zowel planten als dieren
Licht:
- Zonplanten groeien het best bij een hoge lichtintensiteit, schaduwplanten het best bij een lage
lichtintensiteit
- De daglengte heeft bij veel organismen invloed op het tijdstip van voortplanting
- In zeeën en oceanen dringt alleen licht door in de bovenste lagen
Water:
- Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met dunne cuticula en
veel huidmondjes
- Landplanten in een droog milieu hebben goed ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met een dikke cuticula
en weinig huidmondjes (onderkant blad)
- Waterplanten hebben kleine of geen wortelstelsels, vaak luchtkanalen in de stengels, grote en slappe
bladeren en huidmondjes aan de bovenkant van de bladeren
- Dieren in een vochtig milieu hebben en huid die doordringbaar is voor water en sterk verdund urine
- Dieren in een droog milieu hebben een huid die ondoordringbaar is voor water
- Waterdieren hebben een bepaald zuurstofgehalte (> 5 mg/L)
Temperatuur:
- De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur
- Bij een lage temperatuur kunnen poikilotherme (koud) dieren niet actief zijn
- In warme gebieden zijn de lichaamsuitsteeksels bij homoiotherme (warm) dieren groter dan in koude
- Extremofielen = organismen die in extreme gebieden leven (bijv. in vulkaan)
Tolerantie = het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te verdragen
Verspreidingsgebied = het gebied op aarde waar individuen van een bepaalde soort voorkomen
- Soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied
- De tolerantiegrenzen (het minimum en maximum)
- Het tolerantiegebied (het traject tussen minimum en maximum)
- Het optimum (de gunstigste waarde)
§3 populatie
, Competitie:
- Binnen populatie:
- Beschikbare voedsel te sterke competitie wordt tegengegaan door specialisatie en territorium
- voortplanting
- Natuurlijke selectie individuen die het zwaks zijn of het minst aangepast aan het milieu, hebben de
minste overlevingskans
- Tussen populaties:
- Minder sterk dan binnen een populatie
- Niche (nis) = de rol die een soort speelt in het geheel van relaties in een ecosysteem
Coöperatie:
- Binnen een populatie:
- Bescherming, voedsel of voortplanting
- Samenwerking in paren, groepen of staten
- Tussen populaties:
- Verkrijgen van voedsel mutualisme
- Voortplanting
Symbiose = langdurige samenleving van individuen van verschillende soorten
- Mutualisme = individuen van beide soorten hebben beide voordeel korstmossen
- Commensalisme = individuen van de ene soort hebben voordeel en de ander geen voor - of nadeel
boomalgen
- Parasitisme = individuen van de ene soort hebben voordeel en de andere heeft nadeel. Een parasiet leeft
op of in een individu van een andere soort en onttrekt er voedsel aan vlooien
Populatiedichtheid = gemiddeld aantal organismen van een soort per opp-eenheid op per volume-eenheid
Biologische evenwicht = een toestand waarin de populatiedichtheid van elke soort in een ecosysteem
schommelt op een bepaalde waarde
Individuen binnen een populatie kunnen op verschillende manieren voorkomen binnen die populatie
in groepen, regelmatig verspreid of willekeurig verspreid.
Factoren die van invloed zijn op de populatiedichtheid:
- Dichtheidsafhankelijke factoren: predatie, parasitisme, ziekte of voedselconcurrentie
- Dichtheidsonafhankelijke factoren: meestal veroorzaakt door klimaat of mens
Als de dichtheid groter wordt toename predatie, parasitisme en ziekten minder voedsel daling
populatie afname predatie, parasitisme en ziekten meer voedsel stijging populatiedichtheid
Draagkracht = de maximale populatiegrootte over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd
- Na instorting kan zich een nieuw biologisch evenwicht instellen, meestal met een lagere draagkracht
Telmethode
- Kwadrantmethode: in bepaald ecosysteem worden kwadranten uitgezet en binnenin tellingen gedaan
- Transectmethode: in bepaald ecosysteem wordt 1 langwerpige proefstrook uitgezet waarin tellingen
- Terugvangmethode: hierbij worden 2 vangsten uitgevoerd en daarbij bepaald hoe groot populatie is
- 1e vangst: aantal gevangen dieren merken 2e vangst: aantal gemerkte dieren tellen formule
Populatiegroei kan plaatsvinden als er een nieuwe soort vestigt in een ecosysteem als de soort goed is
aangepast aan het nieuwe milieu, vindt in de beginfase exponentiële groei plaats