Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)
Paragraaf 1 Industrialisatie en modern imperialisme
Veranderingen op het platteland
17e + 18e eeuw: eerste industriële revolutie; geleidelijk ontstaan industrie in Engeland en Schotland.
Doordat landbouwgrond overgenomen werd door grootgrondbezitters ontstonden er grote
landbouwgebieden met pachtboeren.
Dankzij schaalvergroting, nieuwe technieken en werktuigen nam voedselproductie toe.
Minder honger, langere levensduur, dalende voedselprijzen en boeren die moeilijker pacht
konden betalen.
Boeren deden al eeuwenlang aan huisnijverheid (: het thuis maken van producten) om bij te
verdienen.
Werd noodzaak door dalende voedselprijzen.
Ondernemers brachten grondstoffen, betaalden boeren loon uit en verkochten eindproducten.
Meer huisnijverheid, dus prijzen van nijverheidsproducten daalden.
Door financiële nood trokken boeren naar steden.
De industriële revolutie begint
18e eeuw: Groot-Brittannië vergroot economische voorsprong.
Door succes van handelskapitalisme (grondstoffen en plantageproducten van kolonies en handel
over zee) wilde men successen vergroten en problemen overwinnen.
Veel aandacht voor ontwikkelingen en experimenten.
Industriële revolutie (: overgang van een economie die draait om landbouw en (huis)nijverheid naar
een economie die zich kenmerkt door machinale massaproductie in fabrieken) begon door enkele
uitvindingen.
Begon in textielindustrie.
Machines met spierkracht werden vervangen door machines met water- en stoomkracht.
Grote machines pasten niet in woonhuis.
Productie werd van boerderijen naar fabrieksruimten verplaatst.
Productie kwam in handen van economische elite omdat zij investeringen voor machines en
fabrieken konden opbrengen.
Fabrieksproductie was snel, grootschalig en arbeidsextensief (weinig arbeiders, veel machines).
Fabrieksproducten relatief goedkoop.
Huisnijverheid weggeconcurreerd.
Urbanisatie (: verstedelijking) door fabrieken die arbeiders nodig hadden.
Industriële samenleving (: samenleving waarin de meerderheid van de mensen in fabrieken werkt
en in steden woont) ontstond.
Einde 19e eeuw: tweede industriële revolutie.
Olie en elektriciteit.
Chemische industrie.
Massaproductie met arbeidsdeling.
VS en Duitsland leidende landen.
Ontstaan grote concerns.
, Tweede helft 20e eeuw: derde industriële revolutie.
Computers.
Automatisering.
Opkomst Aziatische landen.
Grondstoffen en afzetmarkten
18e + 19e eeuw: industriële revolutie verspreidt zich over Europa en Noord-Amerika.
Industrieel kapitalisme: verschijnsel waarbij ondernemers streven naar het maken van zoveel
mogelijk winst door middel van het fabrieksmatig produceren van goederen.
Productie groeit gestaag.
Behoefte aan meer grondstoffen en afzetmarkten.
Economisch belang van koloniën nam toe:
Leverden grondstoffen.
Fabrieksproducten verkopen aan inheemse bevolking (afzetmarkt).
Nieuwe transportmiddelen (zoals treinen en Suezkanaal) maakten handel en grondstoffenvervoer
makkelijker.
Relatie tussen moederlanden en koloniën veranderde.
Geïndustrialiseerde landen gingen actief op zoek naar nieuwe koloniale gebieden.
19e eeuw: binnenland Afrika in kaart gebracht door ontdekkingsreizigers, bleek rijk aan
grondstoffen (olie, rubber, goud, diamanten).
Modern imperialisme (: het streven van West-Europese landen vanaf ongeveer 1850 naar het
bezit van zo groot mogelijke koloniale gebieden) ontstond.
Afrika werd in hoog tempo gekoloniseerd.
Om conflicten tussen Europese landen te voorkomen:
Conferentie van Berlijn (1885): Afrika werd verdeeld tussen Europese landen (zoals Groot-
Brittannië, Frankrijk, Duitsland).
Belangen van Afrikanen werden genegeerd (geen rekening met stammen en leefgebieden).
Koning Leopold ll werd persoonlijk eigenaar van de Onafhankelijke Congostaat.
Veel rubberwinning voor auto-industrie.
Force Publique voerde schrikbewind over inheemse beweging om veel winst en weinig kosten te
maken.
Nationale trots en superioriteitsgevoel
19e-eeuwse modern imperialisme verschilde van eerder kolonialisme.
Vroeger (kolonialisme): beperkte Europese aanwezigheid in kolonies (factorijen, kustgebieden), doel
is handel.
19e eeuw (modern imperialisme): grote gebieden veroverd; inheemse bevolking onderworpen aan
wetten en regels van kolonisator en koloniale economie volledig in dienst van moederland, doel is
verkrijgen van grondstoffen en afzetgebieden.
Onderdrukking inheemse bevolking werd als vanzelfsprekend gezien.
Oorzaken vanzelfsprekendheid:
Nationalisme: verschijnsel dat wordt gekenmerkt door trots op het eigen land, het eigen volk
en de eigen cultuur.
o Meer koloniaal gebied meer macht + aanzien.
Paragraaf 1 Industrialisatie en modern imperialisme
Veranderingen op het platteland
17e + 18e eeuw: eerste industriële revolutie; geleidelijk ontstaan industrie in Engeland en Schotland.
Doordat landbouwgrond overgenomen werd door grootgrondbezitters ontstonden er grote
landbouwgebieden met pachtboeren.
Dankzij schaalvergroting, nieuwe technieken en werktuigen nam voedselproductie toe.
Minder honger, langere levensduur, dalende voedselprijzen en boeren die moeilijker pacht
konden betalen.
Boeren deden al eeuwenlang aan huisnijverheid (: het thuis maken van producten) om bij te
verdienen.
Werd noodzaak door dalende voedselprijzen.
Ondernemers brachten grondstoffen, betaalden boeren loon uit en verkochten eindproducten.
Meer huisnijverheid, dus prijzen van nijverheidsproducten daalden.
Door financiële nood trokken boeren naar steden.
De industriële revolutie begint
18e eeuw: Groot-Brittannië vergroot economische voorsprong.
Door succes van handelskapitalisme (grondstoffen en plantageproducten van kolonies en handel
over zee) wilde men successen vergroten en problemen overwinnen.
Veel aandacht voor ontwikkelingen en experimenten.
Industriële revolutie (: overgang van een economie die draait om landbouw en (huis)nijverheid naar
een economie die zich kenmerkt door machinale massaproductie in fabrieken) begon door enkele
uitvindingen.
Begon in textielindustrie.
Machines met spierkracht werden vervangen door machines met water- en stoomkracht.
Grote machines pasten niet in woonhuis.
Productie werd van boerderijen naar fabrieksruimten verplaatst.
Productie kwam in handen van economische elite omdat zij investeringen voor machines en
fabrieken konden opbrengen.
Fabrieksproductie was snel, grootschalig en arbeidsextensief (weinig arbeiders, veel machines).
Fabrieksproducten relatief goedkoop.
Huisnijverheid weggeconcurreerd.
Urbanisatie (: verstedelijking) door fabrieken die arbeiders nodig hadden.
Industriële samenleving (: samenleving waarin de meerderheid van de mensen in fabrieken werkt
en in steden woont) ontstond.
Einde 19e eeuw: tweede industriële revolutie.
Olie en elektriciteit.
Chemische industrie.
Massaproductie met arbeidsdeling.
VS en Duitsland leidende landen.
Ontstaan grote concerns.
, Tweede helft 20e eeuw: derde industriële revolutie.
Computers.
Automatisering.
Opkomst Aziatische landen.
Grondstoffen en afzetmarkten
18e + 19e eeuw: industriële revolutie verspreidt zich over Europa en Noord-Amerika.
Industrieel kapitalisme: verschijnsel waarbij ondernemers streven naar het maken van zoveel
mogelijk winst door middel van het fabrieksmatig produceren van goederen.
Productie groeit gestaag.
Behoefte aan meer grondstoffen en afzetmarkten.
Economisch belang van koloniën nam toe:
Leverden grondstoffen.
Fabrieksproducten verkopen aan inheemse bevolking (afzetmarkt).
Nieuwe transportmiddelen (zoals treinen en Suezkanaal) maakten handel en grondstoffenvervoer
makkelijker.
Relatie tussen moederlanden en koloniën veranderde.
Geïndustrialiseerde landen gingen actief op zoek naar nieuwe koloniale gebieden.
19e eeuw: binnenland Afrika in kaart gebracht door ontdekkingsreizigers, bleek rijk aan
grondstoffen (olie, rubber, goud, diamanten).
Modern imperialisme (: het streven van West-Europese landen vanaf ongeveer 1850 naar het
bezit van zo groot mogelijke koloniale gebieden) ontstond.
Afrika werd in hoog tempo gekoloniseerd.
Om conflicten tussen Europese landen te voorkomen:
Conferentie van Berlijn (1885): Afrika werd verdeeld tussen Europese landen (zoals Groot-
Brittannië, Frankrijk, Duitsland).
Belangen van Afrikanen werden genegeerd (geen rekening met stammen en leefgebieden).
Koning Leopold ll werd persoonlijk eigenaar van de Onafhankelijke Congostaat.
Veel rubberwinning voor auto-industrie.
Force Publique voerde schrikbewind over inheemse beweging om veel winst en weinig kosten te
maken.
Nationale trots en superioriteitsgevoel
19e-eeuwse modern imperialisme verschilde van eerder kolonialisme.
Vroeger (kolonialisme): beperkte Europese aanwezigheid in kolonies (factorijen, kustgebieden), doel
is handel.
19e eeuw (modern imperialisme): grote gebieden veroverd; inheemse bevolking onderworpen aan
wetten en regels van kolonisator en koloniale economie volledig in dienst van moederland, doel is
verkrijgen van grondstoffen en afzetgebieden.
Onderdrukking inheemse bevolking werd als vanzelfsprekend gezien.
Oorzaken vanzelfsprekendheid:
Nationalisme: verschijnsel dat wordt gekenmerkt door trots op het eigen land, het eigen volk
en de eigen cultuur.
o Meer koloniaal gebied meer macht + aanzien.