constructvaliditeit van een meting?
A. Omdat betrouwbaarheid alleen statistische significantie beïnvloedt
B. Omdat inconsistente metingen het construct niet zuiver kunnen
representeren
C. Omdat betrouwbaarheid alleen relevant is bij experimenteel onderzoek
D. Omdat betrouwbaarheid pas na externe validiteit wordt beoordeeld
2. Wat is het kernprobleem van cross-sectioneel onderzoek bij
causale uitspraken?
A. Onvoldoende steekproefgrootte
B. Gebrek aan statistische power
C. Ontbreken van tijdsvolgorde tussen oorzaak en gevolg
D. Beperkte generaliseerbaarheid
3. Waarom vergroot gebruik van politiecijfers zonder aanvullende
bronnen het risico op vertekening?
A. Omdat politiecijfers altijd onbetrouwbaar zijn
B. Omdat registratie afhankelijk is van opsporings- en aangifteprocessen
C. Omdat politiecijfers geen intervalniveau hebben
D. Omdat politiecijfers alleen macroprocessen meten
4. Wat is het centrale mechanisme waarmee randomisatie interne
validiteit versterkt?
A. Het vergroten van de steekproef
B. Het uitsluiten van meetfouten
C. Het gelijk verdelen van verstorende variabelen over groepen
D. Het verhogen van externe validiteit
5. Waarom kan een hoog significant resultaat inhoudelijk toch
weinig zeggen?
A. Omdat significantie causaliteit bewijst
B. Omdat een grote steekproef ook triviale effecten significant maakt
C. Omdat alfa altijd subjectief is
D. Omdat effectgrootte alleen bij kwalitatief onderzoek relevant is
6. Wat is het gevolg van een vloereffect voor effectmeting?
A. Het effect wordt overschat
B. Het effect wordt statistisch significant
C. Het effect kan niet zichtbaar worden
D. De betrouwbaarheid neemt toe
2
, 7. Waarom is het gebruik van Likertschalen methodologisch
gevoelig?
A. Omdat ze altijd nominaal zijn
B. Omdat ze geen rangorde bevatten
C. Omdat intervalaannames vaak impliciet worden gemaakt
D. Omdat ze niet geschikt zijn voor attitudeonderzoek
8. Wat maakt een verband spurieus?
A. Een lage correlatiecoëfficiënt
B. Afwezigheid van statistische significantie
C. Een derde variabele die zowel oorzaak als gevolg beïnvloedt
D. Een kleine steekproef
9. Waarom vormt selectieve non-respons een bedreiging voor
externe validiteit?
A. Omdat statistische toetsen niet meer toepasbaar zijn
B. Omdat groepen systematisch kunnen verschillen van de populatie
C. Omdat betrouwbaarheid automatisch daalt
D. Omdat causaliteit niet meer toetsbaar is
10. Wat is het primaire doel van een controlegroep in
evaluatieonderzoek?
A. Het vergroten van de steekproef
B. Het corrigeren voor natuurlijke veranderingen zonder interventie
C. Het verhogen van responsbereidheid
D. Het verbeteren van operationalisatie
11. Waarom kan matching regressie naar het gemiddelde
versterken?
A. Omdat gematchte groepen altijd homogeen zijn
B. Omdat extreme scores vaker worden geselecteerd
C. Omdat matching randomisatie vervangt
D. Omdat matching power verlaagt
12. Wat is het belangrijkste methodologische risico van
retrospectief longitudinaal onderzoek?
A. Lage interne validiteit
B. Interviewerbias
C. Geheugen- en rationalisatie-effecten bij respondenten
D. Gebrek aan meetmomenten
13. Waarom is triangulatie methodologisch waardevol?
A. Omdat het statistische power vergroot
B. Omdat het definities standaardiseert
3