-> moedercel splitst zich in twee identieke dochtercellen, die dezelfde genetische eigenschappen hebben.
Voordelen Nadelen
- individu hoeft geen partner te - weinig tot geen genetische variatie
vinden - weinig morfologische flexibiliteit in veranderende milieu-
- geen paringsrituelen omstandigheden
- het gaat snel, elk individu kan weer (morfologie: het onderdeel van de biologie dat de bouw en
voortplanten vorm van organismen bestudeert)
- eenzijdige weerstand tegen pathogenen (ziektewekkers)
In het DNA worden je erfelijke eigenschappen opgeslagen.
Aan het begin van een celdeling rollen de chromosomen in het DNA op (Spiraliseren).
de kerndeling heet mitose
Celcyclus
De levenscyclus van een cel bestaat uit een vijftal fasen voordat hij gaat delen. Deze fasen noemen we G0,
G1, S, G2 of M.
- Fase G0: Als een cel in de G0-fase zit, dan doet de cel gewoon zijn werk. Kliercellen produceren sappen,
zenuwcellen geleiden elektrische impulsen en spiercellen zorgen voor beweging. Een cel heeft 46
chromatiden (is helft van een chromosoom/ is 1 streng DNA. 2 chromatiden vormen samen 1
chromosoom), dus 23 chromosomen.
- Fase G1: Vanuit de G0-fase kan de cel terecht komen in de G1-fase. De cel gaat zich voorbereiden op
een mogelijke celdeling. De cel heeft nog steeds 46 strengen DNA.
- Fase S: In deze fase van de celcyclus gaat de cel zich voorbereiden op de naderende celdeling. Omdat
na de celdeling alle dochtercellen weer 46 chromatiden moeten hebben, zorgt de cel ervoor dat in de
S-fase al het DNA gekopieerd wordt. De cel heeft nu dus 92 chromatiden.
- Fase G2: De cel gaat zich voorbereiden op de naderende kerndeling, er wordt gecontroleerd of het
DNA goed gekopieerd is.
- Fase M: De cel gaat zich daadwerkelijk delen. De celkern moet zorgen dat het DNA nu heel goed
opgevouwen wordt. De 92 strengen DNA (chromatiden)wordt nu maximaal opgevouwen
(gecondenseerd) tot 46 chromosomen. Elk chromosoom bestaat dus uit twee chromatiden. De twee
chromatiden van het chromosoom zijn exacte kopieën van elkaar.
Hierna zal de cel zich delen in twee dochtercellen met identieke DNA.
BINAS 76
Mitose (celdeling) komt na de celcyclus
Proces van de celdeling:
Interfase-> verdubbeling van de chromosomen. geen chromosomen zichtbaar.
Profase-> elk chromosoom bestaat uit twee chromatiden, in de celkern worden de chromosomen
zichtbaar.
Prometafase-> de centrosomen hebben een spoelfiguur van microtubili gevormd
Metafase-> de chromosomen bevinden zich tussen de centrosomen. De microtubuli van de spoelfiguur
hechten zich aan de centromeren van de chromosomen.
Anafase-> Uiteen trekken chromatiden. Van elk chromosoom 1 chromatide naar een kant in de cel
getrokken.
Telofase-> Iedere celpool krijgt weer 2n chromosomen, die zich weer despiraliseren
Twee nieuwe kernmembranen ontstaan, waarna celdeling weer kan plaatsvinden (cytokinese)
Klonen
, Dieren kunnen gekloond worden door embryosplitsing-> embryo in 2 of 4 delen
andere manier is celkerntransplantie-> onbevruchte celkernen worden uit een koe gehaald en celkern
wordt vervangen door die van een superkoe en weer teruggeplaatst.
Geslachtelijke voortplanting
Haploïd en Diploïd
Een haploide cel is een cel met 23 chromosomen. Een diploide cel heeft 46 chromosomen
Het aantal unieke chromosomen in een organisme wordt aangegeven met de letter n.
Bij de mens is dit dus n = 23 bij een haploïde geslachtscel en 2n = 46 bij een diploïde lichaamscel.
Geslachtscellen ontstaan uit een diploïde cel, de chromosomenparen moeten dus gescheiden worden =>
Meiose
BINAS76B: meiose I en meiose II
BINAS 86D
zaadcellen ontstaan in de testes
vorming van zaadcellen heet spermatogenese
1. eicellen ontstaan in de eierstokken
2. elke eicel is omgeven door een blaasje-> follikel
3. follikel groeit en neemt water op
4. eicel deelt ongelijk in haploide cellen-> kleine cel met bijna geen cytoplasma en een grote cel
5. kleine cel->poollichaampje
6. hebben uiteindelijk 1 eicel
Hormonen
Geslachtshormonen
hormonen zijn sap dat door hormoonklieren wordt afgegeven aan het bloed.
Geslachtshormonen regelen verschillende aspecten van de voortplanting-> ze zorgen voor secundaire
geslachtskenmerken.
Hypofyse en hypothalamus
De hypofyse is een hormoonklier in het midden van je hoofd-> geeft onder andere stimulerend hormoon af
die andere klieren beinvloedt.
Bij veel hormonen speelt de hypothalamus een grote rol-> ligt boven de hypofyse, en werkt als een
regelcentrum. Hypothalamus geeft een releasing hormoon af (RH)-> stimuleert de hypofyse bepaalde
hormonen aan te maken zoals follikelstimulerend hormoon (FSH) en het luteiniserend hormoon (LH).
Regeling bij de man
Onder invloed van het releasing hormoon GnRH uit de hypothalamus maakt de hypofyse FSH en LH.
FSH stimuleert de sertolicellen in de wand van de zaadbuisjes. Sertolicellen stimuleren op hun beurt de
vorming van zaadcellen.
LH stimuleert de cellen van leydig in testes om testosteron aan te maken.
Regeling bij de vrouw
Tijdens de puberteit krijgen meisjes de eerste menstruatie. Elke maand wordt baarmoederslijmvlies
opgebouwd en weer afgestoten (hierdoor bloedverlies), als een vrouw niet zwanger raakt.
De menstruatiecyclus duurt gemiddeld 28 dagen. De eerste 12 dagen produceert de hypofyse FSH en LH->
FSH stimuleert de rijping van follikels in de ovaria. Onder invloed van FSH en LH produceren cellen uit de
wand van de rijpende follikels oestrogenen-> geslachtshormonen.