Saxion – Minor Your Legal Life
Belastingrecht voor Bachelors en Masters
➢ Hoofdstuk 3.1 t/m 3.3
➢ Hoofdstuk 5.1 t/m 5.2 en 5.6 t/m 5.7 (met uitzondering van 5.6.4 en 5.6.5)
➢ Hoofdstuk 10: paragrafen: 10.1 t/m 10.4 + 10.8.1 en 10.8.2 + 10.10.1 en
10.10.2 + 10.11 + 10.12 (met uitzondering van 10.12.4 t/m 10.12.6) + 10.13 +
10.14 .1 en 10.14.3 en 10.14.4
➢ Hoofdstuk 12: paragrafen: 12.1 en 12.2
, Hoofdstuk 3
Inkomstenbelasting wordt geheven van natuurlijke personen (art 1.1 Wet IB). Alle
inwoners van Nederland zijn belastingplichtig voor de inkomstenbelasting
(binnenlands belastingplichtig).
Binnenlands belastingplichtigen betalen inkomstenbelasting over hun inkomen,
waar ter wereld ze dat ook hebben genoten (woonplaatsbeginsel) (art. 2.1 lid 1 onder
a Wet IB).
Buitenlands belastingplichtigen niet-Nederlanders die wel Nederlands inkomen
genieten. Zij zijn slecht belastingplichtig over het inkomen dat ze in Nederland
hebben genoten (bronstaatbeginsel) (art. 2.1 lid 1 onder b Wet IB).
De heffingsbeginselen die Nederland hanteert voor de inkomstenbelasting
(woonplaatsbeginsel en bronstaatbeginsel) kunnen leiden tot een dubbele
belastingheffing.
Het is daarom van belang om te weten waar iemand woont. Woonplaats wordt
bepaald aan de hand van de feitelijke omstandigheden (art. 4 AWR). Er moet worden
gekeken naar de plaats waar het sociaal en economisch middelpunt van iemand ligt.
Wet IB kent twee woonplaatsficties (art. 2.2 Wet IB):
1. Iemand die ophoudt in Nederland te wonen en binnen een jaar daarna weer in
Nederland gaat wonen, blijft binnenlands belastingplichtig (ook tijdens verblijf
in het buitenland) als hij in dat jaar niet elders heeft gewoond.
o Tenzij tijdens de afwezigheid belastingplichtig was in een lidstaten van
de Europese Unie of andere ‘aangewezen’ mogendheid.
2. Diplomatenfunctie: Nederlanders die als ambtenaar in het buitenland gaan
werken, worden onder bepaalde voorwaarden geacht in Nederland te wonen.
3.3
Wet IB gaat uit van een drieboxenstelsel, waarbij in elk van de boxen per
kalenderjaar een afzonderlijk belastbaar inkomen wordt berekend (art. 2.3 Wet IB).
Box 1 – Belastbaar inkomen uit werk en woning → Progressief tarief
Box 2 – Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang → Vast tarief 26,25%
Box 3 – Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen → Vast tarief 30%
Box 1
Als het belastbaar inkomen van box 1 is vastgesteld, dan moet op dit inkomen de
tarieven worden toegepast zoals weergegeven in art. 2.10 en 2.10a Wet IB.
Het percentage aan inkomstenbelasting over de eerste twee schijven wordt
verhoogd met de premie volksverzekering. Dit samen is de inkomensheffing.
, Inkomensheffing uitrekentabel:
Het verschuldigde bedrag kan hoger worden, want er moet een correctie
plaatsvinden indien en voor zover bepaalde kosten tegen het hoogste belastingtarief
in aftrek zijn gebracht (art. 2.10 lid 2 en 3 jo. art. 2.10a lid 2 en 3 Wet IB). Het gaat
dan om volgende posten:
a. Ondernemersaftrek
b. MKB-winstvrijstellig mits de grondslag van deze vrijstelling positief is
c. De terbeschikkingstellingsvrijstelling mits de grondslag voor deze vrijstelling
positief is
d. De aftrekbare kosten m.b.t. een eigen woning
e. Persoonsgebonden aftrek voor zover die is meegenomen bij het bepalen van
het inkomen in box 1.
> € 68.507, dan verhogen van bovenstaande 3.5%
< € 68.507, dan belastbaar inkomen box 1 + de som van bovengenoemde posten en
dan vervolgens € 68.507 in mindering brengen.
- Negatief bedrag, dan is er niets tegen de hoogste belastingschijf afgetrokken
en dus ook geen correctie.
- Verschil positief, dan verschuldigde belasting verhoogd met 3,5% met het
verschil.