Week 1: Inleiding en vrij verkeer van goederen
Positieve en negatieve integratie
1. Negatieve integratie: de verboden in het Verdrag (VWEU)
● De Verdragen vertellen lidstaten (en soms particulieren) door middel van verboden
wat ze niet mogen doen → bijv. verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen in art.
34 VWEU.
2. Positieve integratie: secundair EU-recht (harmonisatie)
● Nationale regelgeving wordt vervangen door uniforme EU-standaarden, dus ook
geen ‘grenzen’ meer tussen landen in regelgeving (bevorderlijk voor interne markt).
● Wanneer er harmonisatie-wetgeving is aangenomen, is dat het toepasselijke
EU-recht. Als er geen harmonisatie is, vormen de verboden in de Verdragen het
beoordelingskader waaraan lidstaten en private partijen zich moeten houden.
○ Harmonisatie is vergelijkbaar met lex specialis; specifieke regels → de
verboden zijn veel algemener van aard.
Autonomie Van Gend en Loos
➢ HvJ EU roept met het EU-recht een nieuwe rechtsorde in het leven, ten aanzien waarvan
lidstaten de soevereiniteit deels hebben overgedragen. Dit betekent dat het EU-recht
onafhankelijk van de (grondwetten van) lidstaten zowel rechten als plichten kan creëren
voor particulieren.
➢ Beginsel van directe werking: het EU-recht wordt rechtstreeks onderdeel van de
nationale rechtsorde. Autonomie → monisme en dualisme zijn niet relevant voor de
inroepbaarheid van het Unierecht in lidstaten!
➢ Rechtstreekse werking in de praktijk: een bepaling van Unierecht kan door een individu
worden ingeroepen voor de nationale rechter. Algemene criteria voor rechtstreekse
werking:
○ Voldoende duidelijk;
○ Onvoorwaardelijk.
➢ Unierechtelijke bepalingen kunnen verticaal worden ingeroepen tegen de staat, maar ook
horizontaal tegen een ander individu.
Autonomie en voorrang Costa/ENEL
➢ Beginsel van voorrang [van autonomie naar voorrang]: de nationale rechter dient het
Unierecht te laten prevaleren boven het nationale recht, indien sprake is van strijd tussen
beide rechtsordes. Hierop bestaan geen uitzonderingen.
➢ M.a.w.: de voorrang van het Unierecht is absoluut.
○ Bovendien: lidstaten hebben een plicht tot loyaliteit (art. 4 lid 3 VEU), geldend voor
alle entiteiten van de lidstaten (rechters, bestuursorganen, etc.).
,Bevoegdheidsverdeling: rechtsgrondslag
➢ De Verboden in de Verdragen (negatieve integratie) kunnen meteen worden toegepast op
maatregelen van lidstaten. Maar: voor positieve integratie is nadere (secundaire)
wetgeving van de EU nodig binnen de grenzen van de bevoegdheidsverdeling.
➢ Secundaire wetgeving vereist een specifieke rechtsgrondslag in de Verdragen. Een
rechtsgrondslag is een bepaling die voorschrijft:
1. Welke soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud en doel);
2. Welke EU-instellingen deze maatregel kunnen aannemen;
3. Welke procedure hiervoor moet worden gebruikt.
➢ Bijv. in art. 114 VWEU en art. 192 VWEU.
Wat zijn ‘goederen’?
“Op geld waardeerbaar en als zodanig het voorwerp van handelstransacties” + “tastbare fysieke
eigenschappen” - Jägerskiöld.
● Dus ook: afval, menselijke stoffelijke overschotten, elektriciteit, etc.
Tarifaire belemmeringen: douanerechten
➢ Art. 30 VWEU: verbod op in- en uitvoerrechten (douanerechten) en heffingen van gelijke
werking → wat zijn dat?
○ Alle belastingen of verkapte belastingen die worden geheven op het overgaan van
een grens.
➢ Wat verbiedt art. 30 VWEU?
○ Absoluut verbod op alle in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking:
■ Geen minimumgrens
■ Geen rechtvaardigingen
○ Maar! Wel twee uitzonderingen:
■ Heffingen o.g.v. het EU-recht
■ Betalingen voor geleverde diensten
Tarifaire belemmeringen: binnenlandse belastingen
➢ Art. 110 VWEU: gaat over binnenlandse belasting (i.t.t. douanerechten).
○ Onderscheiden van art. 30 VWEU (Outokumpu) → belasting is niet alleen van
toepassing op geïmporteerde producten.
○ Heffingen op producten → alleen van toepassing op indirecte belastingen, zoals
BTW en accijnzen (op product i.p.v. op persoon).
■ Producten = goederen!
■ Art. 110 VWEU is niet van toepassing op directe belastingen (bijv.
inkomstenbelasting)
➢ Uitgangspunt art. 110 VWEU: alle belastingen differentiëren tussen producten. Dit is
toegestaan, mits er geen sprake is van discriminatie of protectionisme.
, ➢ Wat verbiedt art. 110 VWEU?
1. Verbod op discriminerende belastingen
● Gelijksoortige producten (die niet gelijk worden behandeld)
● Verbod op directe discriminatie
○ Een direct onderscheid in de wet zelf maken, bijv. o.g.v. nationaliteit
(vaak het geval)
○ Outokumpu: Finland wilde groene elektriciteit laag belasten, en
stroom uit fossiele brandstoffen hoog belasten. Voor geïmporteerde
elektriciteit wilden ze een middentarief berekenen. Dit was directe
discriminatie volgens het HvJ; hoger belastingtarief in Finland dan
in eigen land voor buitenlandse stroomleveranciers.
● Verbod op indirecte discriminatie
○ In de wet zelf wordt geen onderscheid gemaakt, maar buitenlandse
producenten worden harder geraakt door de maatregel.
○ Humblot: Franse motorrijtuigenbelasting differentieerde op basis
van de inhoud van de motor; hoe groter, hoe meer belasting. Franse
auto’s waren destijds klein, Duitse relatief groot. Soortgelijke
producten in zowel Frankrijk als Duitsland, maar ze werden anders
belast, waardoor de Fransen een belastingvoordeel hadden. Dit is in
strijd met art. 110 VWEU.
2. Verbod op ‘beschermende’ belastingen (protectionisme)
● Producten die niet ‘gelijksoortig’ zijn, maar wel met elkaar kunnen
concurreren. Bijv. fietsen en scooters, bier en wijn → het zijn alternatieven.
● Concurrentieverhoudingen zijn in de praktijk vaak lastig vast te stellen →
Commissie tegen VK (bier/wijn). In de VK werd de nationale bierproductie
‘beschermd’ door een lagere belasting dan die op wijn. Commissie startte
een zaak wegens strijdigheid met art. 110 VWEU. HvJ: ingewikkeld vast te
stellen, maar op zijn minst kan gezegd worden dat goedkopere wijnen met
een soortgelijke prijs in een concurrentieverhouding staan tot bier. De
Commissie kreeg gelijk.
○ Mogelijkheid tot objectieve rechtvaardiging: goede reden geven.
Vrij verkeer van goederen - stappenplan maatregel van gelijke werking
1. Valt de casus binnen de reikwijdte van art. 34 VWEU? [Moet in ieder geval gaan over
non-tarifaire maatregelen]
a. Gaat de casus over goederen?
● Jägerskiöld: tastbare eigenschappen, op geld waardeerbaar, verhandelbaar.
b. Is er relevante harmonisatiewetgeving van toepassing? [In dit vak geen
harmonisatiewetgeving t.a.v. goederen]
c. Bevat de casus een grensoverschrijdend element? [Bij afwezigheid van
harmonisatie]
, ● Oosthoek: art. 34 VWEU is alleen van toepassing op situaties met een
grensoverschrijdend effect, dus niet op zuiver interne situaties.
● N.B.: Europees recht is alleen van toepassing op een casus waarin enige link
is met het handelsverkeer tussen lidstaten.
d. Is er sprake van rechtstreekse werking → kan de procespartij zich direct op art. 34
VWEU beroepen tegenover de wederpartij?
● Art. 34 VWEU bevat een voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke
verplichting voor lidstaten, en kan dus rechtstreeks worden ingeroepen
door private partijen tegenover een lidstaat voor de nationale rechter →
verticale rechtstreekse werking (Iannelli).
● Art. 34 VWEU verplicht lidstaten handhavend op te treden tegen duurzame
beperkingen van het vrij verkeer door individuen (Schmidberger).
● Art. 34 VWEU heeft geen horizontale rechtstreekse werking.
2. Is er sprake van een ‘kwantitatieve invoerbeperking’ of een ‘maatregel van gelijke
werking’? [Een beperking/inbreuk op art. 34 VWEU]
a. Kwantitatieve invoerbeperking = een quotum: beperking op aantal goederen dan
mag worden ingevoerd.
b. Maatregel van gelijke werking → Dassonville: iedere handeling van een lidstaat die de
intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan
belemmeren. [Zeer ruime definitie]
● Discriminatie is niet vereist om te spreken van een MGW.
c. Producteisen → Cassis de Dijon: zijn ook maatregelen van gelijke werking en vallen
onder art. 34 VWEU.
● Plicht voor lidstaten tot wederzijdse erkenning van elkaars producteisen.
● Kan gerechtvaardigd worden op grond van ‘dwingende redenen van
algemeen belang, art. 36 VWEU. Maar: een lidstaat kan zich niet beroepen
op art. 36 VWEU (openbare zedelijkheid) om de invoer van goederen te
verbieden, wanneer diezelfde goederen binnen het eigen grondgebied
legaal worden geproduceerd en verhandeld (Conegate). Interne tolerantie
→ geen externe uitsluiting.
● Cassis-rechtvaardiging als extra rechtvaardigingsgrond geformuleerd.
● Niet alle nationale handelsregelingen zijn maatregelen van gelijke werking
→ Krantz.
d. Verkoopmodaliteiten → Keck en Mithouard: vallen niet onder art. 34 VWEU, mits:
i. Ze voor alle marktdeelnemers gelden;
ii. Ze zowel juridisch (direct) als feitelijk (indirect) niet discrimineren tegen
producten uit andere lidstaten.
e. Bepaalde verkoopmodaliteiten zijn geen maatregelen van gelijke werking, tenzij ze
direct of indirect discrimineren → Gourmet International.
f. Eisen aan de inhoud van het product zijn producteisen [geen verkoopmodaliteiten]
en vallen onder art. 34 VWEU → Familiapress.
Positieve en negatieve integratie
1. Negatieve integratie: de verboden in het Verdrag (VWEU)
● De Verdragen vertellen lidstaten (en soms particulieren) door middel van verboden
wat ze niet mogen doen → bijv. verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen in art.
34 VWEU.
2. Positieve integratie: secundair EU-recht (harmonisatie)
● Nationale regelgeving wordt vervangen door uniforme EU-standaarden, dus ook
geen ‘grenzen’ meer tussen landen in regelgeving (bevorderlijk voor interne markt).
● Wanneer er harmonisatie-wetgeving is aangenomen, is dat het toepasselijke
EU-recht. Als er geen harmonisatie is, vormen de verboden in de Verdragen het
beoordelingskader waaraan lidstaten en private partijen zich moeten houden.
○ Harmonisatie is vergelijkbaar met lex specialis; specifieke regels → de
verboden zijn veel algemener van aard.
Autonomie Van Gend en Loos
➢ HvJ EU roept met het EU-recht een nieuwe rechtsorde in het leven, ten aanzien waarvan
lidstaten de soevereiniteit deels hebben overgedragen. Dit betekent dat het EU-recht
onafhankelijk van de (grondwetten van) lidstaten zowel rechten als plichten kan creëren
voor particulieren.
➢ Beginsel van directe werking: het EU-recht wordt rechtstreeks onderdeel van de
nationale rechtsorde. Autonomie → monisme en dualisme zijn niet relevant voor de
inroepbaarheid van het Unierecht in lidstaten!
➢ Rechtstreekse werking in de praktijk: een bepaling van Unierecht kan door een individu
worden ingeroepen voor de nationale rechter. Algemene criteria voor rechtstreekse
werking:
○ Voldoende duidelijk;
○ Onvoorwaardelijk.
➢ Unierechtelijke bepalingen kunnen verticaal worden ingeroepen tegen de staat, maar ook
horizontaal tegen een ander individu.
Autonomie en voorrang Costa/ENEL
➢ Beginsel van voorrang [van autonomie naar voorrang]: de nationale rechter dient het
Unierecht te laten prevaleren boven het nationale recht, indien sprake is van strijd tussen
beide rechtsordes. Hierop bestaan geen uitzonderingen.
➢ M.a.w.: de voorrang van het Unierecht is absoluut.
○ Bovendien: lidstaten hebben een plicht tot loyaliteit (art. 4 lid 3 VEU), geldend voor
alle entiteiten van de lidstaten (rechters, bestuursorganen, etc.).
,Bevoegdheidsverdeling: rechtsgrondslag
➢ De Verboden in de Verdragen (negatieve integratie) kunnen meteen worden toegepast op
maatregelen van lidstaten. Maar: voor positieve integratie is nadere (secundaire)
wetgeving van de EU nodig binnen de grenzen van de bevoegdheidsverdeling.
➢ Secundaire wetgeving vereist een specifieke rechtsgrondslag in de Verdragen. Een
rechtsgrondslag is een bepaling die voorschrijft:
1. Welke soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud en doel);
2. Welke EU-instellingen deze maatregel kunnen aannemen;
3. Welke procedure hiervoor moet worden gebruikt.
➢ Bijv. in art. 114 VWEU en art. 192 VWEU.
Wat zijn ‘goederen’?
“Op geld waardeerbaar en als zodanig het voorwerp van handelstransacties” + “tastbare fysieke
eigenschappen” - Jägerskiöld.
● Dus ook: afval, menselijke stoffelijke overschotten, elektriciteit, etc.
Tarifaire belemmeringen: douanerechten
➢ Art. 30 VWEU: verbod op in- en uitvoerrechten (douanerechten) en heffingen van gelijke
werking → wat zijn dat?
○ Alle belastingen of verkapte belastingen die worden geheven op het overgaan van
een grens.
➢ Wat verbiedt art. 30 VWEU?
○ Absoluut verbod op alle in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking:
■ Geen minimumgrens
■ Geen rechtvaardigingen
○ Maar! Wel twee uitzonderingen:
■ Heffingen o.g.v. het EU-recht
■ Betalingen voor geleverde diensten
Tarifaire belemmeringen: binnenlandse belastingen
➢ Art. 110 VWEU: gaat over binnenlandse belasting (i.t.t. douanerechten).
○ Onderscheiden van art. 30 VWEU (Outokumpu) → belasting is niet alleen van
toepassing op geïmporteerde producten.
○ Heffingen op producten → alleen van toepassing op indirecte belastingen, zoals
BTW en accijnzen (op product i.p.v. op persoon).
■ Producten = goederen!
■ Art. 110 VWEU is niet van toepassing op directe belastingen (bijv.
inkomstenbelasting)
➢ Uitgangspunt art. 110 VWEU: alle belastingen differentiëren tussen producten. Dit is
toegestaan, mits er geen sprake is van discriminatie of protectionisme.
, ➢ Wat verbiedt art. 110 VWEU?
1. Verbod op discriminerende belastingen
● Gelijksoortige producten (die niet gelijk worden behandeld)
● Verbod op directe discriminatie
○ Een direct onderscheid in de wet zelf maken, bijv. o.g.v. nationaliteit
(vaak het geval)
○ Outokumpu: Finland wilde groene elektriciteit laag belasten, en
stroom uit fossiele brandstoffen hoog belasten. Voor geïmporteerde
elektriciteit wilden ze een middentarief berekenen. Dit was directe
discriminatie volgens het HvJ; hoger belastingtarief in Finland dan
in eigen land voor buitenlandse stroomleveranciers.
● Verbod op indirecte discriminatie
○ In de wet zelf wordt geen onderscheid gemaakt, maar buitenlandse
producenten worden harder geraakt door de maatregel.
○ Humblot: Franse motorrijtuigenbelasting differentieerde op basis
van de inhoud van de motor; hoe groter, hoe meer belasting. Franse
auto’s waren destijds klein, Duitse relatief groot. Soortgelijke
producten in zowel Frankrijk als Duitsland, maar ze werden anders
belast, waardoor de Fransen een belastingvoordeel hadden. Dit is in
strijd met art. 110 VWEU.
2. Verbod op ‘beschermende’ belastingen (protectionisme)
● Producten die niet ‘gelijksoortig’ zijn, maar wel met elkaar kunnen
concurreren. Bijv. fietsen en scooters, bier en wijn → het zijn alternatieven.
● Concurrentieverhoudingen zijn in de praktijk vaak lastig vast te stellen →
Commissie tegen VK (bier/wijn). In de VK werd de nationale bierproductie
‘beschermd’ door een lagere belasting dan die op wijn. Commissie startte
een zaak wegens strijdigheid met art. 110 VWEU. HvJ: ingewikkeld vast te
stellen, maar op zijn minst kan gezegd worden dat goedkopere wijnen met
een soortgelijke prijs in een concurrentieverhouding staan tot bier. De
Commissie kreeg gelijk.
○ Mogelijkheid tot objectieve rechtvaardiging: goede reden geven.
Vrij verkeer van goederen - stappenplan maatregel van gelijke werking
1. Valt de casus binnen de reikwijdte van art. 34 VWEU? [Moet in ieder geval gaan over
non-tarifaire maatregelen]
a. Gaat de casus over goederen?
● Jägerskiöld: tastbare eigenschappen, op geld waardeerbaar, verhandelbaar.
b. Is er relevante harmonisatiewetgeving van toepassing? [In dit vak geen
harmonisatiewetgeving t.a.v. goederen]
c. Bevat de casus een grensoverschrijdend element? [Bij afwezigheid van
harmonisatie]
, ● Oosthoek: art. 34 VWEU is alleen van toepassing op situaties met een
grensoverschrijdend effect, dus niet op zuiver interne situaties.
● N.B.: Europees recht is alleen van toepassing op een casus waarin enige link
is met het handelsverkeer tussen lidstaten.
d. Is er sprake van rechtstreekse werking → kan de procespartij zich direct op art. 34
VWEU beroepen tegenover de wederpartij?
● Art. 34 VWEU bevat een voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke
verplichting voor lidstaten, en kan dus rechtstreeks worden ingeroepen
door private partijen tegenover een lidstaat voor de nationale rechter →
verticale rechtstreekse werking (Iannelli).
● Art. 34 VWEU verplicht lidstaten handhavend op te treden tegen duurzame
beperkingen van het vrij verkeer door individuen (Schmidberger).
● Art. 34 VWEU heeft geen horizontale rechtstreekse werking.
2. Is er sprake van een ‘kwantitatieve invoerbeperking’ of een ‘maatregel van gelijke
werking’? [Een beperking/inbreuk op art. 34 VWEU]
a. Kwantitatieve invoerbeperking = een quotum: beperking op aantal goederen dan
mag worden ingevoerd.
b. Maatregel van gelijke werking → Dassonville: iedere handeling van een lidstaat die de
intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan
belemmeren. [Zeer ruime definitie]
● Discriminatie is niet vereist om te spreken van een MGW.
c. Producteisen → Cassis de Dijon: zijn ook maatregelen van gelijke werking en vallen
onder art. 34 VWEU.
● Plicht voor lidstaten tot wederzijdse erkenning van elkaars producteisen.
● Kan gerechtvaardigd worden op grond van ‘dwingende redenen van
algemeen belang, art. 36 VWEU. Maar: een lidstaat kan zich niet beroepen
op art. 36 VWEU (openbare zedelijkheid) om de invoer van goederen te
verbieden, wanneer diezelfde goederen binnen het eigen grondgebied
legaal worden geproduceerd en verhandeld (Conegate). Interne tolerantie
→ geen externe uitsluiting.
● Cassis-rechtvaardiging als extra rechtvaardigingsgrond geformuleerd.
● Niet alle nationale handelsregelingen zijn maatregelen van gelijke werking
→ Krantz.
d. Verkoopmodaliteiten → Keck en Mithouard: vallen niet onder art. 34 VWEU, mits:
i. Ze voor alle marktdeelnemers gelden;
ii. Ze zowel juridisch (direct) als feitelijk (indirect) niet discrimineren tegen
producten uit andere lidstaten.
e. Bepaalde verkoopmodaliteiten zijn geen maatregelen van gelijke werking, tenzij ze
direct of indirect discrimineren → Gourmet International.
f. Eisen aan de inhoud van het product zijn producteisen [geen verkoopmodaliteiten]
en vallen onder art. 34 VWEU → Familiapress.