Tussentoets 1 - Hertentamen 2022............................................2
Tussentoets 1 - Hertentamen 2023............................................7
Tussentoets 1 - Hertentamen 2024...........................................11
Tussentoets 1 - Hertentamen 2025...........................................16
Dit zijn de uitwerkingen van de bovengenoemde hertentamens van deeltoets 1 voor het vak
Vennootschapsbelasting. De uitwerkingen op deze tussentoetsen zijn gebaseerd op de
corresponderende cursus hoofdstukken en op de aantekeningen uit de colleges.
Door het studeren van deze standaardantwoorden heb ik een 9,6 behaald op de deeltoets. Er is
veel herhaling van bepaalde principes die jaar na jaar terugkomen in de deeltoetsen.
1
,Tussentoets 1 - Hertentamen 2022
1. De heffing van vennootschapsbelasting staat onder sterke invloed van het
voortgaande proces van Europese integratie. Noem drie voorbeelden die deze
invloed illustreren.
- Art. 12aa Wet Vpb e.v.: Is de implementatie van de ATAD2 richtlijn van de EU.
- Art. 13ab Wet Vpb: Implementatie van de CFC-maatregel, ook wel bekend als ATAD 1
van de EU.
- Art. 15b Wet Vpb: implementatie van ATAD1 art. 4. Earningsstrippingmaatregel: rente
op leningen mogen niet oneindig in aftrek worden gebracht op de fiscale winst.
- Vpb.0.0.4.g e.v.: De ontwikkeling van de renteaftrekbeperkingen in de Wet Vpb laat een
verschuiving zien van casuïstische antimisbruikbepalingen (art. 10a e.v.) naar meer
objectieve en systematische beperkingen (art. 13l, 15ad), waarbij de wetgever stap voor
stap reageert op specifieke ontwijkingsstructuren. Deze gefragmenteerde aanpak heeft
geleid tot een complex en gelaagd stelsel, waarin renteaftrek langs meerdere, deels
overlappende sporen wordt begrensd.
- Vpb 2.4.0.C.b: De heffing van vennootschapsbelasting in Nederland wordt sterk
beïnvloed door Europese integratie. Drie voorbeelden hiervan zijn: ten eerste de Moeder-
dochterrichtlijn, die lidstaten verplicht deelnemingsdividenden vrij te stellen of te
verrekenen, wat in Nederland wordt uitgevoerd via de deelnemingsvrijstelling (art. 13
Wet Vpb). Ten tweede de antimismatchbepaling van de Moeder-dochterrichtlijn (2014),
die voorkomt dat aftrekbare betalingen bij de uitkerende vennootschap tegelijkertijd
belastingvrij blijven bij de moedermaatschappij, geïmplementeerd in art. 13 lid 17 Wet
Vpb. Ten derde de CFC-regeling van art. 13ab Wet Vpb, ingevoerd in 2019 op basis van
de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD1), waarmee laagbelaste winsten van
gecontroleerde buitenlandse lichamen in de Nederlandse heffing worden betrokken.
2. “Uitgangspunt van de Wet Vpb ‘69 is dat deze wet belasting heft van lichamen
als zodanig, ongeacht haar deelgerechtigden (aandeelhouders) en ongeacht wie in
economische zin deze belasting draagt”. In hoeverre is deze stelling juist?
Vele antwoorden zijn mogelijk, afhankelijk van de gekozen invalshoek (zie voor een
indicatie van het antwoord onder meer Vpb.0.0.1.d1, blz. 5 e.v.).
De stelling is in haar uitgangspunt juist, maar behoeft nuancering vanuit systematisch,
Europees en antimisbruik perspectief.
- Klassieke stelsel: zelfstandige heffing van het lichaam. De NV/BV wordt aangemerkt als
zelfstandig fiscaal rechtssubject. De vennootschap wordt dus los van de aandeelhouders
belast.
- In het klassieke stelsel kennen we economische dubbele heffing van Vpb + IB.
Verrekening van Vpb met de belastingdruk bij aandeelhouders is uitgesloten.
3. Reflecteer op de volgende stelling: “Lichamen zonder rechtspersoonlijkheid
kunnen niet in de heffing van de vennootschapsbelasting worden betrokken”.
Onjuist, zie bijv. Vpb.1.0.3.L, blz. 48 e.v.
Onjuist: ook lichamen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals commanditaire vennootschappen
(CV’s), kunnen fiscaal betrokken zijn bij de Vpb.
Historisch onderscheid (vóór 2025):
- Besloten CV: toetreding of vervanging van commanditaire vennoten vereiste
toestemming van alle vennoten → fiscaal transparant; winsten werden direct bij de
vennoten belast.
2
, Open CV: toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kon zonder
toestemming → zelfstandig Vpb-plichtig; CV werd als fiscaal subject behandeld.
Situatie vanaf 1-1-2025: Het toestemmingsvereiste is afgeschaft; alle CV’s kwalificeren nu in
beginsel als fiscaal transparant. CV’s zijn niet langer zelfstandig belastingplichtig voor Vpb;
winsten worden direct toegerekend aan de vennoten.
Belangrijk inzicht: het feit dat een CV geen rechtspersoonlijkheid heeft, sluit deelname aan
de Vpb niet uit; de fiscale kwalificatie hangt af van de transparantie en de wettelijke regels,
niet louter van de civielrechtelijke vorm.
Maar eigenlijk is dit een oude vraag van voor 1-1-2025, en is het statement juist omdat we
alleen nog maar de open CV kennen.
4. Reflecteer op de volgende stelling: “art. 2 lid 6 Vpb houdt in dat op basis van een
wetsfictie bij de in dit artikel genoemde lichamen in volle omvang een
winstoogmerk wordt verondersteld”.
- Fictie van volledige ondernemingsuitoefening: Art. 2 lid 6 Wet VPB 1969 gaat uit van
een wetsfictie dat alle in dit artikel genoemde lichamen (zoals NV’s, BV’s, coöperaties,
verenigingen, omgekeerde hybriden en hun buitenlandse equivalenten) hun gehele
vermogen gebruiken voor het drijven van een onderneming. Dit geldt ongeacht de
feitelijke aanwending van het vermogen.
- Winstoogmerk verondersteld: Op basis van deze fictie wordt bij deze lichamen altijd een
winstoogmerk verondersteld, ook voor baten die feitelijk niet commercieel of niet
bedoeld zijn voor winst, zoals ontvangen schenkingen of andere incidentele voordelen.
- Gevolg voor vermogensetikettering: Art. 2 lid 6 maakt dat de leer van
vermogensetikettering geen rol speelt bij deze lichamen; alle vermogensbestanddelen
worden als ondernemingsvermogen behandeld, en de opbrengsten daaruit vormen
belastbare winst.
- Conclusie: De stelling is juist in essentie: de wet veronderstelt bij de genoemde lichamen
een winstoogmerk en het gebruik van het volledige vermogen voor
ondernemingsdoeleinden, ongeacht de werkelijke aanwending of economische activiteit.
5. “Uit het totaalwinstbegrip volgt dat alleen daadwerkelijke uitgaven als kosten in
mindering kunnen worden gebracht op de fiscale winst”. In hoeverre is deze
stelling juist?
Onjuist, zie bijv. Vpb.2.0.6.E.a3, blz. 192, informele kapitaalinbreng in de kostensfeer,
aan te vullen met tal van andere voorbeelden.
De stelling is onjuist. Uit het totaalwinstbegrip volgt niet dat uitsluitend daadwerkelijke,
feitelijke uitgaven als kosten in aftrek kunnen komen op de fiscale winst. Ook voordelen of
nadelen die niet gepaard gaan met een concrete geldstroom kunnen fiscaal relevant zijn.
Dit blijkt onder meer uit de leer van de ‘informele kapitaalinbreng’. Hoewel de Hoge Raad in
BNB 1957/165 aanvankelijk sprak over bevoordeling in de vorm van geld of goederen, is
later uitgemaakt dat een informele kapitaalinbreng ook kan plaatsvinden in de kostensfeer.
In het Zweedse grootmoeder arrest werd geoordeeld dat bijvoorbeeld het rekenen van een te
lage rente of huur door een aandeelhouder aan zijn vennootschap kan leiden tot een informele
kapitaalstorting. In dat geval is sprake van een niet-zakelijke kostenbesparing die niet
aftrekbaar is, ondanks het ontbreken van een daadwerkelijke uitgave.
3