Leerdoelen:
Na week 7 kunt u aan de hand van boek 4 BW (en titel 3.7 BW) met de volgende begrippen, hun
onderscheidende kenmerken en de verbanden die tussen die begrippen gelegd kunnen worden,
verdeling; schulden; gedwongen schuldverrekening; inbreng; overgangsrecht; redelijkheid en billijkheid;
vordering tot verdeling; verdeling door de rechter; minderjarige deelgenoten; waarde en waardering;
weigerachtige of nalatige deelgenoten; nietigheid en vernietigbaarheid; afgescheiden vermogen; schuld voor
rekening van de gemeenschap, gemeenschapsschuld; te gelde maken van een gemeenschapsgoed; verdeling,
verdeling vorderen, uitsluiting van verdeling; problemen bij de verdeling; vormvereisten bij deelgenoten die niet
het vrije beheer hebben over hun goederen; meewerkende personen bij de verdeling; verdeling door de rechter;
(ver)nietig(e)(bare) verdeling; dwaling in de waarde bij verdeling; waardebepaling; leveringsvereisten;
vanuit de grondslagen en systematiek van het vermogensrecht implicaties afleiden voor concrete
aspecten van het erfrecht in ruime zin voor zover het de onderwerpen van deze week betreft.
de toepassing van de behandelde erfrechtelijke leerstukken aan de hand van een voorbeeldcasus
illustreren.
met oog op de eigen aard van de rechtsbeoefening door de notaris de behandelde erfrechtelijke
leerstukken met elkaar in verband brengen.
erfrechtelijke rechtspraak en (ontwerp)wetgeving mede in het licht van de maatschappelijke
ontwikkelingen ontleden.
aan de hand van opgedane kennis en inzicht erfrechtelijke casusposities oplossen.
mondeling presenteren van een (juridisch) betoog in correct en helder Nederlands.
een gefundeerde en beargumenteerde positie innemen in een maatschappelijk, juridisch debat.
met anderen samenwerken om een opdracht binnen een voorgeschreven termijn te voltooien.
Literatuur:
M.J.A. van Mourik, B.M.E.M. Schols, F.W.J.M. Schols, L.C.A. Verstappen, B.C.M. Waaijer, Handboek
erfrecht, hoofdstuk XVII. + M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Gemeenschap (Monografieën BW nr. B9,
Deventer: Wolters Kluwer, 7e druk, 2015), hoofdstuk 5 tot en met 11 (dus niet hoofdstuk 12).
Jurisprudentie:
• Hoge Raad 9 mei 1980, NJ 1981, 283 (Van Bakel/Roymans) (nr. 181)
• Hoge Raad 4 maart 1987, NJ 1989, 224 (Verdeling of uitvoering koop) (nr. 182)
• Hoge Raad, 7 december 1990, NJ 1991, 593 (Moordhuwelijk) (nr. 183)
• Hoge Raad 11 april 2003, LJN AF 3410 (Inbreng) (nr. 185)
• Hoge Raad 31 maart 2017, NJ 2017, 254 (Verbeurde vordering) (nr. 186)
, Vraag 1
Erflater A overlijdt op 1 april 2016 en laat vier kinderen achter, C, D, E en F; hij was gehuwd met B in wettelijke
gemeenschap van goederen. Zijn testament was even kort als A tijdens leven spraakzaam was en bevatte maar
drie woorden: ‘ik onterf B’. Het saldo van de nalatenschap van A bedraagt € 48.000. A heeft aan F een bedrag
van € 120.000 geschonken onder de plicht tot inbreng. Dat gebeurde 6 jaar vóór overlijden van A. Het doel van
de schenking was om F mogelijk te maken een eigen huis te kopen. A was van plan dat ook bij C, D en E te doen
maar A overlijdt voordat die aan het kopen van een eigen huis toekwamen. De verdeling vindt als gevolg van
geruzie tussen de kinderen plaats op 1 april 2019.
a. Geef gemotiveerd aan wie wat kan verkrijgen, aangenomen dat iedere belanghebbende het maximale uit
de nalatenschap wenst te ontvangen.
› De schenking aan F is onder de plicht tot inbreng geschonken, art. 4:229 BW jo. 4:233
BW.
Maximale inbreng = breukdeel x (nalatenschap + maximale inbreng).
X = 1/4 x (48.000 + X)
X = 12.000 + 1/4x
3/4x = 12.000
X = 16.000,-
› De maximale inbreng is dus 16.000,-. Er moet door F 16.000 worden ingebracht, en de
nalatenschap bedraagt 48.000,-. De fictieve nalatenschap bedraagt dus 48.000 +
16.000 = 64.000,-. Iedere erfgenaam heeft recht op 1/4 x 64.000 = 16.000,-.
Alle erfgenamen hebben dus recht op 16.000,- uit de échte nalatenschap, behalve F,
die heeft zijn deel als het ware al gekregen uit de schenking.
- Art. 4:231 BW de hele schenking komt in aanmerking voor inbreng.
- Art. 4:233 lid 1 BW rente van 6% per jaar.
- B kan nog een beroep doen op haar wettelijke rechten.
› Erflater A overlijdt, B wordt onterfd dus van een wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) is
géén sprake. De erfgenamen erven dus voor gelijke delen op grond van art. 4:11 BW.
Er moet eerste gekeken worden naar de parentele van art. 4:10 lid 1 onder a BW, dat
zijn in deze casus C, D, E en F. Ieder van de belanghebbende wenst het maximale uit
de nalatenschap te ontvangen, daar dienen we de legitieme portie te berekenen van de
legitimarissen C, D, E en F. Zij zijn immers afstammelingen van A die door de wet
zijn geroepen (art. 4:63 lid 2 BW).
› De legitieme portie bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties
worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door
de erflater achtergelaten personen (4:64 lid 1 BW). In casus is de legitieme breuk ½ x
1/5 = 1/10 deel van de legitimaire massa. De legitimaire massa berekenen we met art.
4:65 BW. Het saldo van de nalatenschap van A bedraagt €48.000, deze wordt
vermeerderd met in aanmerking komende giften. De gift van erflater A aan
afstammeling F, die tevens legitimaris is, is een in aanmerking komende gift in de zin
van art. 4:67 onder d BW. De legitimaire massa bedraagt dus €168.000. De legitimaire
massa x de legitieme breuk = de legitieme portie. €168.000 x 1/10 = €16.800. Op
grond hiervan kan er uit de nalatenschap 48.000 euro worden voldaan. Het resterende
tekort bedraagt dan 2400 euro (800 per persoon). C, D en E kunnen hun tekort van 800
inkorten op de schenking van F (toerekening 4:70), want art. 4:67 sub d BW. Inkorten
op de gift aan F op grond van 4:89 BW. F houdt 117.600 over.