● Mensen maken snelle automactische, onwillekeurige, intuitieve beslissingen.
→ Ping pong balletje
● Mensen maken beslissingen op basis van aangedragen informatie, zelfs als die
irrelevant is.
- Dit effect wordt priming genoemd.
→ Bloemen vs ogen boven de donatiebox.
● Mensen proberen de wereld om hun heen te begrijpen en leggen daarbij
oorzakelijke relaties, die niet noodzakelijk waar zijn.
- Oorzakelijke relaties staat synoniem voor causale relaties.
→ River Thames: meer bommen.
● Mensen zoeken in de wereld om ons heen bevestiging van wat we geloven.
→ “In Afganistan in de jaren 70 waren vrouwen vrij.”
1
, ● Twee denksystemen
Systeem 1 (intuitief): Automatisch, snel, geen inspanning en geen controle.
- Onbewust
Systeem 2 (rationeel): Bewuste keuze voor mentale inspanning en kritisch denken.
- Moet je aanzetten → Bewust
● Een greep uit de kenmerken van systeem 1
- Genereert indrukken, gevoelens en neigingen.
- Werkt automatisch en snel zonder al te veel moeite en zonder welbewuste controle.
- Beslist op grond van ook irrelavante informatie.
- Leidt oorzaken en intenties af en verzint ze.
- Negeert dubbelzinnigheden en onderdrukte twijfel.
- Is geneigd om te geloven en te bevestigen.
- Is gericht op bestaande aanwijzingen en negeert niet-aanwezige aanwijzingen.
- Geeft teveel gewicht aan kleine kansen.
→ We verdrinken in de complexe wereld zonder systeem 1.
→ Systeem 1 versimpelt het zodat we het kunnen samen houden.
● Waarom doen we dat?
Systeem 1 toont ons de wereld:
- Ordelijker
- Eenvoudiger
- Voorspelbaarder
- Samenhangender
→ Dan hij in werkelijkheid is.
● Kritische vragen stellen bij wetenschappelijk onderzoek
- Je moet de waarde van (uitspraken over) wetenschappelijke onderzoeken kunnen
beoordelen.
→ Titel
→ Inleiding: Wat is de centrale vraag
→ Methode: Hoe
→ Resultaten: Wat
→ Discussie
→ Conclusie
2
, Hoorcollege 2 - Analyseren: Structuur van argumentatie
● Structuur van een argumentatie
- Enkelvoudig
- Meervoudig
- Nevenschikkend
- Onderschikkend
- Complex
● Enkelvoudig
- Redenering die uit 1 standpunt en 1 argument bestaat.
- Indicatoren zoals: dus, daarom, want etc.
- Na want komt altijd het argument, na dus komt altijd een standpunt.
- Maar: let op mogelijke verzwegen argumenten.
- Verzwegen argumenten worden niet expliciet genoemd.
- ‘= zet je erachter als het een verzwegen argument is.
→ Voorbeelden:
→ De zon schijnt dus het wordt warm op het balkon.
→ Lisa heeft geen ruimtelijk inzicht, want Lisa is een meisje.
→ Enkelvoudig met verzwegen argument.
● Structuur van een argumentatie
→ De volgorde van standpunt en argument kan wisselen en is niet altijd duidelijk. Het
connectief kan een indicatie zijn.
- Neem twee uitingen: De zon schijnt. & Het wordt warm op het balkon.
→ De zon schijnt (A1) dus het wordt warm op het balkon (St.)
→ Het wordt warm op het balkon (St.) want de zon schijnt (A1)
→ Ook mogelijk
→ Het wordt warm op het balkon (A1) dus de zon schijnt (St.)
→ De zon schijnt (St.) want het wordt warm op het balkon (A1)
3