,Les 1: Introductie
1. Wat is de kern focus van de pedagogiek als wetenschapsgebied?
A) Het verklaren van menselijk gedrag in alle levensfasen
B) De wisselwerking tussen opvoeder, kind en omgeving
C) Het onderzoeken van cognitieve processen bij kinderen
D) Het meten van leerprestaties in verschillende contexten
2. Waarom wordt pedagogiek beschouwd als een niet-volledig objectieve wetenschap?
A) Omdat er te weinig empirisch onderzoek mogelijk is
B) Omdat opvoeding altijd cultureel bepaald is
C) Omdat visies op ‘goede’ opvoeding subjectief verschillen
D) Omdat observatie bij kinderen onbetrouwbaar is
3. Welke van onderstaande denkers wordt gezien als een voorloper van het idee dat
kinderen een eigen identiteit hebben?
A) John Locke
B) Francis Galton
C) Jean-Jacques Rousseau
D) Charles Darwin
4. Welke drie fasen beschrijft de hedendaagse pedagogiek bij het bestuderen van
opvoedingsvraagstukken?
A) Theoretiseren → Toepassen → Evalueren
B) Observeren → Interpreteren → Rapporteren
C) Beschrijven → Verklaren → Vertalen naar handelen
D) Registreren → Analyseren → Publiceren
5. Francis Galton concludeerde uit zijn onderzoek naar reputatie dat:
A) Intelligentie vooral wordt beïnvloed door opleidingsniveau van ouders
B) Nature belangrijker lijkt dan nurture
C) De omgeving bepalend is voor sociale status
D) SES volledig losstaat van erfelijkheid
, 6. Een docent stelt dat een kind dat opgroeit in armoede nooit een hoge intelligentie
kan ontwikkelen, ongeacht opvoeding of onderwijs.
Welke klassieke denker zou deze visie het meest ondersteunen?
A) John Locke
B) Jean-Jacques Rousseau
C) Francis Galton
D) John Watson
7. Een ouder merkt dat haar kind angstig reageert op haar boosheid. Wanneer ze
rustiger praat, reageert het kind kalmer. Na verloop van tijd verandert ook het gedrag
van de ouder.
Welk model verklaart dit proces het best?
A) Transactioneel model van Sameroff
B) Procesmodel van Belsky
C) Sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner
D) Behaviorisme van Watson
8. Een kind met een hoge genetische ontvankelijkheid groeit op in een stimulerende
omgeving en presteert boven verwachting.
Wat illustreert dit voorbeeld het beste?
A) Nature bepaalt het eindresultaat volledig
B) Differentiële ontvankelijkheid
C) Genetische fixatie
D) Exosysteem invloeden
9. Twee kinderen groeien op in hetzelfde gezin, maar verschillen sterk in sociale
vaardigheden.
Welke factor verklaart dit het best?
A) Gedeelde omgeving (C)
B) Genetische factoren (G)
C) Unieke omgeving (E)
D) Assortative mating
, 10.Een onderzoek toont aan dat hoogopgeleide mensen vaker trouwen met andere
hoogopgeleiden, wat leidt tot cumulatie van intelligentie en SES in gezinnen.
Wat is de implicatie hiervan voor de interpretatie van erfelijkheidsonderzoek?
A) Erfelijkheid schattingen zullen de rol van genen onderschatten
B) Omgevingsinvloeden worden overschat
C) Erfelijkheid en omgeving worden kunstmatig versterkt
D) Er is minder kans op GxE-interactie
11.Een onderzoeker vindt dat kinderen van ouders met een warme opvoedstijl minder
agressief zijn, maar alleen bij kinderen met een lage genetische risicoscore voor
impulsiviteit.
Wat beschrijft deze bevinding?
A) Gen–omgeving interactie (GxE)
B) Transactioneel model
C) Gedragsgenetische correlatie
D) Sociaal-ecologisch model
12.Een beleidsonderzoeker analyseert hoe economische ongelijkheid en mediacultuur
invloed hebben op opvoedingswaarden.
Binnen welk systeem van Bronfenbrenner’s model hoort dit niveau?
A) Microsysteem
B) Mesosysteem
C) Macrosysteem
D) Exosysteem
13.Een onderzoek vergelijkt opvoeding tussen generaties en kijkt hoe de digitalisering
sinds 2000 ouder-kind interacties heeft veranderd.
Welk concept is hier het meest relevant?
A) Chronosysteem
B) Exosysteem
C) Mesosysteem
D) Procesmodel
1. Wat is de kern focus van de pedagogiek als wetenschapsgebied?
A) Het verklaren van menselijk gedrag in alle levensfasen
B) De wisselwerking tussen opvoeder, kind en omgeving
C) Het onderzoeken van cognitieve processen bij kinderen
D) Het meten van leerprestaties in verschillende contexten
2. Waarom wordt pedagogiek beschouwd als een niet-volledig objectieve wetenschap?
A) Omdat er te weinig empirisch onderzoek mogelijk is
B) Omdat opvoeding altijd cultureel bepaald is
C) Omdat visies op ‘goede’ opvoeding subjectief verschillen
D) Omdat observatie bij kinderen onbetrouwbaar is
3. Welke van onderstaande denkers wordt gezien als een voorloper van het idee dat
kinderen een eigen identiteit hebben?
A) John Locke
B) Francis Galton
C) Jean-Jacques Rousseau
D) Charles Darwin
4. Welke drie fasen beschrijft de hedendaagse pedagogiek bij het bestuderen van
opvoedingsvraagstukken?
A) Theoretiseren → Toepassen → Evalueren
B) Observeren → Interpreteren → Rapporteren
C) Beschrijven → Verklaren → Vertalen naar handelen
D) Registreren → Analyseren → Publiceren
5. Francis Galton concludeerde uit zijn onderzoek naar reputatie dat:
A) Intelligentie vooral wordt beïnvloed door opleidingsniveau van ouders
B) Nature belangrijker lijkt dan nurture
C) De omgeving bepalend is voor sociale status
D) SES volledig losstaat van erfelijkheid
, 6. Een docent stelt dat een kind dat opgroeit in armoede nooit een hoge intelligentie
kan ontwikkelen, ongeacht opvoeding of onderwijs.
Welke klassieke denker zou deze visie het meest ondersteunen?
A) John Locke
B) Jean-Jacques Rousseau
C) Francis Galton
D) John Watson
7. Een ouder merkt dat haar kind angstig reageert op haar boosheid. Wanneer ze
rustiger praat, reageert het kind kalmer. Na verloop van tijd verandert ook het gedrag
van de ouder.
Welk model verklaart dit proces het best?
A) Transactioneel model van Sameroff
B) Procesmodel van Belsky
C) Sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner
D) Behaviorisme van Watson
8. Een kind met een hoge genetische ontvankelijkheid groeit op in een stimulerende
omgeving en presteert boven verwachting.
Wat illustreert dit voorbeeld het beste?
A) Nature bepaalt het eindresultaat volledig
B) Differentiële ontvankelijkheid
C) Genetische fixatie
D) Exosysteem invloeden
9. Twee kinderen groeien op in hetzelfde gezin, maar verschillen sterk in sociale
vaardigheden.
Welke factor verklaart dit het best?
A) Gedeelde omgeving (C)
B) Genetische factoren (G)
C) Unieke omgeving (E)
D) Assortative mating
, 10.Een onderzoek toont aan dat hoogopgeleide mensen vaker trouwen met andere
hoogopgeleiden, wat leidt tot cumulatie van intelligentie en SES in gezinnen.
Wat is de implicatie hiervan voor de interpretatie van erfelijkheidsonderzoek?
A) Erfelijkheid schattingen zullen de rol van genen onderschatten
B) Omgevingsinvloeden worden overschat
C) Erfelijkheid en omgeving worden kunstmatig versterkt
D) Er is minder kans op GxE-interactie
11.Een onderzoeker vindt dat kinderen van ouders met een warme opvoedstijl minder
agressief zijn, maar alleen bij kinderen met een lage genetische risicoscore voor
impulsiviteit.
Wat beschrijft deze bevinding?
A) Gen–omgeving interactie (GxE)
B) Transactioneel model
C) Gedragsgenetische correlatie
D) Sociaal-ecologisch model
12.Een beleidsonderzoeker analyseert hoe economische ongelijkheid en mediacultuur
invloed hebben op opvoedingswaarden.
Binnen welk systeem van Bronfenbrenner’s model hoort dit niveau?
A) Microsysteem
B) Mesosysteem
C) Macrosysteem
D) Exosysteem
13.Een onderzoek vergelijkt opvoeding tussen generaties en kijkt hoe de digitalisering
sinds 2000 ouder-kind interacties heeft veranderd.
Welk concept is hier het meest relevant?
A) Chronosysteem
B) Exosysteem
C) Mesosysteem
D) Procesmodel