Algemeen
Acteren= Toneelspelen; Je inleven in een rol/ personage en deze door middel van handelingen
uitbeelden.
Acteur/actrice= toneel-, filmspeler. Iemand die als beroep in toneel-, filmstukken speelt.
Actie/handelingen= Dat wat de acteur doet (zichtbare handeling tijdens spel).
- Een uiterlijk aspect: Dat gene wat men op het toneel doet.
- Een innerlijk aspect: Beweegredenen of motief voor gebruik van handeling.
Artiest= Een uitvoerend kunstenaar. (Het wordt ook gebruikt in het circus of amusement).
Bijrol= ondergeschikte rol in een toneelstuk/film.
Conflict= Het probleem in de scène (beschouwd als de grondslag voor traditionele drama structuur).
Dubbelrol= een acteur die meerdere rollen in één voorstelling speelt.
Figurant/figureren= Speler van zwijgende (bij)rollen.
Figuranten zijn vaak van belang voor gewenste sferen in een stuk/film.
Karakter= gelaagd personage. (Eigenschappen zijn meer uitgewerkt in tegenstelling tot type).
Personage= De rol die je speelt.
Rol: - De personage die je speelt in een bestaand toneelstuk of geïmproviseerd spel.
- De uitgeschreven tekst -van de personage- op een blad of het afgesproken deel spelen op het
toneelstuk.
- Alle gedragingen en gesproken of gezongen tekst waarmee een speler een personage uitbeeld.
Situatie= de omstandigheden in een scène of toneelstuk.
Spanning= Een geladenheid in het handelen van een personage.
Spel= Toneelspel. Georganiseerde, dramatische handelingen die op basis van improvisatie of
vastgelegde tekst kan plaatsvinden.
Spelen= in rol meedoen aan een dramatisch spel of toneelspel, acteren, dramatiseren.
Speler= degene die het personage vorm geeft in uitbeeld tijdens het dramatische spel.
Tegenspel= In spel reageren op wat andere spelers doen of zeggen.
Typetje= Personage met maar 1 groot vlak/karaktertrek (Meestal komisch).
Verbaal
Accent= de manier waarop iemand de klanken uit spreekt.
Articuleren/articulatie= de wijze waarop je probeert zo gecontroleerd mogelijk woorden uit te
spreken.
Denktekst= De tekst die de personage denkt, maar niet hardop zegt. (In ‘directe rede’ schrijven).
Dialoog= Een gesprek/tekst tussen twee of meer mensen.
Emotie= Een heftig gevoel.
Intonatie/intoneren= stemtechniek.
Jabbertalk/jabberen= met een niet bestaande taal toch begrijpelijk impulsen kunnen overbrengen.
(doormidden van stemgebruik en lichaamstaal).
Klankkleur (timbre)= specifieke en karakteristieke eigen klanken van de stem. (Niet veel invloed op).
Monoloog= Een tekst dat één persoon (niemand van medespelers) spreekt. (Oudste theatrale vorm).
Stemgebruik= De manier waarop je jouw stem gebruikt bij het spreken: - Accent: groep herkennen.
- Emotie: Een heftig gevoel.
- intonatie/volume.
- klankkleur: niet trainbaar.
Subtekst= Alles wat niet duidelijk wordt in de geschreven toneeltekst, maar wel gespeeld kan
worden (Subtekst kan door iedereen anders omschreven worden).
Taalgebruik= De manier waarop mensen spreken en schrijven in bepaalde situaties.
Tekstinterpretatie= De manier waarop je de tekst uit een script opvat.
Verbale uitingsmogelijkheden= Hiermee kan de speler door middel van klanken en mondeling
taalgebruik iets uitbeelden (Taalgebruik; stemgebruik).
Volume= hoe hard of zacht je de woorden uit spreekt.
, Drama (VMBO-T)
Non-verbaal
Afgang= Het verlaten van een acteur op het toneel.
Bevriezen/ freeze= In één houding helemaal stil blijven staan, waarin spanning wordt vastgehouden.
Beweging= Gerichte activiteit van een personage om van houding of plaats te veranderen.
Bewegingspatroon= De manier waarop de personage zich functioneel beweegt in de ruimte.
Blikrichting/kijkrichting= Welke kant de speler (Het publiek) hij/zij opkijkt.
Expressie= Jezelf tot uiting brengen: In drama: aanduiding voor een kwaliteit.
- In het algemeen: elke door andere waarneembare menselijke uiting of gedragswijze.
Fysieke spel= Speltechniek, waarbij het (hele) lichaam wordt ingezet (Uitzondering van je stem).
Gebaar= Bewuste handelingen (met delen) van het lichaam.
Houding= De manier waarop men (bewust; een deel) zijn lichaam houdt en door andere wordt
waargenomen.
Lichaamstaal= Boodschap die wordt overgebracht door middel van het lichaam.
(houdingen, gebaren, bewegingen, zonder gesproken worden).
Mimiek= Gezichtsuitdrukking.
Non- verbale communicatie= Contact met elkaar maken en begrijpen zonder taal te gebruiken.
Opkomst= het opkomen/ verschijnen van een acteur op het toneel.
Positie= De plek van spelers op het speelvlak ten opzichte van elkaar, het decor, of het publiek.
Slowmotion= Sterk onderscheiden vertraagde beweging.
Stil spel= Een stukje spel zonder tekst, binnen een toneelstuk met tekst.
Uitbeelden/uitbeelding= Het beeld zichtbaar maken voor anderen.