Collegeweek 1
1. Wat is de rechtsvraag?
2. Welke wetsartikelen zijn van toepassing? Welke rechtsvoorwaarden?
3. De feiten in de casus toepassen aan rechtsvoorwaarden (heel
belangrijk)
4. Conclusie beantwoording rechtsvraag
Wetsartikel 3:35 BW
Rechtsgevolg: er kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van
een met deze verklaring overeenstemmende wil.
Gewoon feit-> voor de hand liggend
Blote rechtsfeit-> een rechtsfeit dat vanzelf rechtsgevolgen heeft, zonder
dat iemand iets aan doet.
Feitelijke handelingen-> hier zitten rechtsgevolgen aan, zonder dat je die
wilde.
Rechtens relevante handelingen-> een handeling waarmee het
rechtsgevolg beoogt.
Rechtshandelingen-> Een bewuste actie die je doet om iets in het recht te
veranderen
Rechtsfeit-> een feit dat wel gevolgen heeft volgens de wet
Wil + verklaring = rechtshandeling
Discrepantie wil en verklaring (ontbreken wil)
Misverstand, verschrijving, verspreking, geestelijke stoornis – kan
tijdelijk of blijvend zijn. (3:34)
Geestelijke stoornis: als iemand door zijn stoornis niet kan bepalen of het
rechtsgevolg in belang is, dan wordt dit aangemerkt als het ontbreken van
de wil – artikel 3:34 lid 1 BW. Er komt dus wel een rechtshandeling tot
stand, maar deze is vernietigbaar! Artikel 3:34 lid 2 BW.
Rechtsgevolg; overeenkomst is nietig
,Vertrouwensbeginsel – art 3:35 BW
Wanneer iemand een verklaring redelijkerwijs op een bepaalde manier
opvat, dan kan de ander zich er niet op beroepen dat zijn wil niet in
overeenstemming was met zijn verklaring. Degene die in goed vertrouwen
afging op de verklaring en er redelijkerwijs een bepaalde betekenis aan
heeft toegekend, wordt dus beschermd.
1. Er is een verklaring gedaan richting een persoon
2. Deze persoon heeft een bepaalde betekenis gegeven aan die
verklaring
3. Goede trouw wederpartij: degene die zich op het
vertrouwensbeginsel beroept, moet te goeder trouw zijn. Dat wil
zeggen dat er sprake moet zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen.
Het mag dus niet zo zijn dat iemand eigenlijk wel weet dat er iets
anders werd bedoeld!
Verbintenissen koopovereenkomst
Art. 3:296 BW
Koopovereenkomst is afdwingbaar bij de rechter.
Overeenkomsten
Art. 6:217 lid 1 BW
2 voorwaarden:
1. Iemand doet een aanbod
2. Iemand aanvaardt het aanbod
(meerzijdige overeenkomst)
Art. 3:33 -> wil en verklaring is nodig! Dus er is een rechtsgevolg gerichte
wil en die wil heeft zich op een verklaring geopenbaard.
, Het aanbod is een wilsverklaring, die is dus nodig. Soms is het geen
aanbod maar dan lijkt het aanbod een uitnodiging om aan de handeling
toe te treden.
In zo’n uitnodiging wordt dus het aanbod gedaan door de koper. We
hebben hier een onvolledige overeenkomst, want we hebben wel een
aanbod maar geen aanvaarding!
Advertenties zijn altijd uitnodigingen en geen aanbod.
Wanneer kom een overeenkomst tot stand?
3:37
Een gerichte verklaring werkt pas als deze de geadresseerde heeft bereikt,
en dus niet al bij verzending. Er is een uitzondering: als het niet (tijdig)
bereiken voor risico van de geadresseerde komt, werkt de verklaring wel.
3:37 lid 1
Een aanbod kan mondeling, schriftelijk of door een gedraging worden
gedaan.
Herroepen aanbod – art. 6:219 lid 1 BW
Wanneer kun je niet herroepen (intrekken)?
Als er een termijn is gegeven om te aanvaarden, dan mag de aanbieder
niet herroepen.
Als het aanbod al is aanvaard of de verklaring van de aanvaarding al is
verzonden, dan mag de aanbieder niet herroepen. Tenzij het een
vrijblijvend aanbod is, want die mag altijd worden herroepen.
Inhoud overeenkomst – art. 6:248
Het oud-BW bepaalde dat niet door uitlegging van een overeenkomst
mocht worden afgeweken van de woorden van de overeenkomst als de
bewoordingen duidelijk waren.
1: partijafspraak – haviltex
2: de wet: je mag geen overeenkomsten sluiten die in strijd is met de wet.