Deel 1, ontwerpen
1. Hoofdstuk 1; waarom doe je onderzoek?
2. Hoofdstuk 2; het onderwerp kiezen.
3. Hoofdstuk 3; de aanleiding van je onderzoek.
4. Hoofdstuk 4; probleemstelling en doelstelling.
5. Hoofdstuk 5; begripsafbakening en modelbouw.
6. Hoofdstuk 6; onderzoeksvoorstel.
Deel 2, gegevens verzamelen
7. Hoofdstuk 7; kwantitatieve methoden van dataverzameling.
8. Hoofdstuk 8; kwalitatieve methoden van dataverzameling.
9. Hoofdstuk 9; onderzoekskwaliteit.
10. Hoofdstuk 10; steekproeven trekken.
11. Hoofdstuk 11; operationaliseren.
12. Hoofdstuk 12; het veld in: enquêtes en interviews afnemen.
Deel 3, analyseren
13. Hoofdstuk 13; kwantitatieve gegevens verwerken.
14. Hoofdstuk 14; kwantitatieve analyse. HOEFT NIET
15. Hoofdstuk 15; kwalitatieve analyse.
16. Hoofdstuk 16; kwaliteit van onderzoeksresultaten. HOEFT NIET
, Kennisclips samengevat
1. De aanleiding is de reden waarom je een onderzoek doet, die kan opgesteld worden
door middel van de 6W-methode. Een aanleiding is te herkennen door tijdens een
intakegesprek de achtergrond van het probleem en wensen van de opdrachtgever te
analyseren.
De 6W-methode bestaat uit zes vragen die je als onderzoeker zijnde kunt stellen;
Wat is het probleem, wie heeft het probleem, wanneer is het probleem ontstaan,
waarom is het een probleem, waar doet het probleem zich voor en waardoor is het
een probleem? Er zijn twee vereisten die komen kijken bij het doen van een
onderzoek; De aanleiding en probleemstelling moeten wel ‘onderzoekbaar’ zijn en er
moet een duidelijk verband zijn tussen de vragen uit de 6W-methode. De
probleemstelling is de centrale vraag die je met je onderzoek wilt beantwoorden en
de doelstelling is dan het doel (wat moet er met het onderzoek bereikt worden?), de
functie van het onderzoek voor de onderzoeker, organisatie of opdrachtgever.
Probleemstelling + doelstelling = probleemomschrijving
2. Betrouwbaarheid is de mate waarin onderzoek vrij is van toevallige fouten en
validiteit is de mate waarin het onderzoek vrij is van systematische fouten. Om de
validiteit te controleren kijken we naar de geldigheid of zuiverheid van de resultaten.
Systematische fouten ontstaan wanneer participanten sociaal wenselijke antwoorden
geven. Er is een verschil tussen interne -, externe-, en begripsvaliditeit. Interne
validiteit is de mate waarin zuivere conclusies getrokken kunnen worden, externe
validiteit is de mate waarin een steekproef op relevante kenmerken op de populatie
lijkt en begripsvaliditeit (/constructievaliditeit) is de mate waarin je meet wat je
daadwerkelijk wilt meten. Betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit. Met
meetinstrumenten verzamel je gegevens, vragenlijsten, interview etc.
3. Thematische analyse is een methode die je helpt om patronen in kwalitatieve data te
identificeren, te rangschikken en te rapporteren. Stap 1 is verkennen
(interviewverslagen goed doorlezen), stap 2 is coderen (kernbegrippen bepalen), stap
3 is thematiseren (kernbegrippen verdelen), stap 4 is reviseren en verfijnen
(hercontroleren), stap 5 is vaststellen en structureren (opzoek gaan naar bepaalde
combinaties) en ten slotte is stap 6 is presenteren.