burgerlijk procesrecht
Informatie Brightspace
Doel burgerlijk procesrecht: het tegengaan van eigenrichting.
1.1 behandeling binnen redelijke termijn
Art. 6 EVRM: recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn. Als
uitspraken te lang op zich laten wachten, verliezen ze vaak aan waarde.
Het antwoord op de vraag of een bepaalde termijn als redelijk kan worden
beoordeeld, is volgens het EHRM afhankelijk van een aantal criteria:
1. Het gedrag van partijen
2. Het gedrag v.d. justitiële autoriteiten
3. De complexiteit v.d. zaak
1.2 Hoor en wederhoor
Het recht van hoor en wederhoor geldt als een v.d. meest elementaire
hoofdbeginselen van ons burgerlijk procesrecht.
1.4 openbaarheid van behandeling en uitspraak
Als kanttekening kan worden vermeld dat in de praktijk de vonnissen niet in hun
geheel worden uitgesproken. Met de mededeling dat het vonnis in een bepaalde
zaak is uitgesproken, wordt volstaan. Dat neemt echt niet weg dat het vonnis
altijd kan worden ingezien.
1.5 Motivering van de beslissing
Op de motiveringsplicht bestaan enkele uitzonderingen:
1. Art. 230 lid 2 Rv: een verstekvonnis behoeft niet te worden gemotiveerd.
2. Verlof tot het leggen van een conservatoir beslag behoeft, indien het verlof
wordt verleend, niet te worden gemotiveerd.
Art. 6 EVRM spreekt niet letterlijk over de plicht tot motiveren, maar die eis volgt
wel uit de rechtspraak en schending van de motiveringsplicht kan schending
opleveren v.h. beginsel van fair trial.
1.6 Partijautonomie
De partijautonomie wordt ook wel negatief omschreven als de lijdelijkheid v.d.
rechter art. 24 Rv. De partijautonomie is doorgaans uitgangspunt. Hoe de
partijautonomie zich in het burgerlijk procesrecht uit:
1. Procespartijen bepalen of er wordt geprocedeerd en of er wordt
doorgeprocedeerd.
2. De rechter mag geen feiten aanvullen (a contrario art. 25 Rv: wel
ambtshalve aanvullen van rechtsgronden).
3. Niet-betwiste feiten moet de rechter voor waar aannemen art. 149 Rv.
4. Bepaalde rechtsregels mag de rechter niet ambtshalve toepassen (bijv.
beroep op verjaring en retentierecht.)
In art. 24 lid 2 Rv staat sinds 1 januari 2025 dat de rechter binnen de grenzen v.d.
rechtsstrijd ambtshalve met partijen de feitelijke grondslag van hun vordering,
verzoek of verweer kan bespreken. Deze gecodificeerde bevoegdheid strekt enkel
tot het bevorderen v.d. waarheidsvinding en bijv. niet tot het helpen van partijen
aan mogelijke argumenten.
,
, College 15 september 2025: leereenheid 1
Hoofdbeginselen
- Hoor en wederhoor artt. 6 EVRM en 19 Rv
- Onpartijdigheid van de rechter art.. 6 EVRM en 36 e.v. Rv
- Openbaarheid van behandeling en uitspraak artt. 121 Gw, 27 en 29 Rv, 4
en 5 RO en 6 EVRM.
- Motivering v.d. beslissing artt. 121 Gw, 5 lid 1 RO en 30 Rv.
- Partijautonomie/lijdelijkheid v.d. rechter art. 21 Rv.