Inhoud
1. Culturele diversiteit............................................................................................ 2
Kennis van verschillende sociologische visies op cultuur....................................2
Kennis van verschillende cultuurtheorieën..........................................................3
Inzicht in het wetenschapsgebied culturele antropologie....................................6
2. Migratie en identiteit.......................................................................................... 7
Kennis van migratiemotieven.............................................................................. 7
Kennis van interactiepatronen tussen meerderheid en minderheid....................7
Zicht op verschillen tussen stereotypering, vooroordelen, stigma’s en racisme. 8
Inzicht in de sociale betekenis van etniciteit en ras............................................8
Kennis van kruispuntdenken, intersectionaliteit, caleidoscopisch kijken.............9
3. Antropologie en sociaal werk.............................................................................. 9
Kennis van internaliserende en externaliserende verklaringen voor
probleemgedrag en de functie van diagnoses....................................................9
Kennis van dimensies van kwetsbaarheid bij migranten.....................................9
Inzicht in het begrip ‘politieke lichaam’ in relatie tot diagnoses........................10
Zicht op het begrip ‘normaliteit’ als multidimensionaal concept.......................11
4. interculturele communicatie............................................................................. 12
Kennis van de 6 basiswaarden van Hall............................................................12
Kennis én toepassen van het TOPOI-model.......................................................12
Inzicht in verbogen communicatie....................................................................13
5. Interculturele competenties.............................................................................. 13
Kennis van het model van Bennett....................................................................13
Inzicht in intersectionaliteit, kruispuntdenken en dynamische identiteit...........14
, 1. Culturele diversiteit
Kennis van verschillende sociologische visies op cultuur
Cultuur = manier van leven van een groep mensen. Beïnvloedt wat we doen,
denken en voelen. Cultuur is aangeleerd: opvoeding, primaire (gezin) en
secundaire (omgeving) socialisatie.
Cultuur is collectief: een programmering van de menselijke geest die leden
van een groep onderscheidt van anderen.
De samenleving: het totaal van alle verschillende sociale groepen en hun
interacties. Binnen een samenleving kunnen verschillende culturen zijn, maar ze
hebben allemaal iets gemeen.
Verschil natiestaat en samenleving:
Natiestaat = een politieke eenheid met eigen afgebakend grondgebied
Samenleving = gaat buiten grenzen om
Voorbeeld: Nederland is een natiestaat, de Nederlanders vormen de
samenleving
Mensen kunnen tot meerdere groepen behoren (subculturen) soms botsing,
soms harmonie.
Cultuurschok: wat mensen ervaren als ze in een hele nieuwe cultuur komen.
Normen en waarden dienen als sociale controle:
Normen: regels voor gedrag
Mores: normen met grote morele betekenis, belangrijke regels door
morele waarden bv. geen seks met kinderen
Traditionele gebruiken: beleefdheidsvormen, etiquette
Waarden en overtuigingen: geven richting aan leven en beslissingen,
wat je belangrijk vindt
Waardenconflict is moeilijk op te lossen door diepgewortelde waarden. Bv. je
wilt gelijke kansen maar je wilt geen homo’s in het leger. Je waarden zijn in
conflict met elkaar.
Belangenconflict: strijdende partijen hebben belang om ergens uit te komen
omdat de partijen elkaar nodig hebben en hetzelfde doel willen ze halen.
Lage inkomstlanden zijn vaker op mannen gericht, vrouwen worden hier vaker
onderdrukt.
Sociale controle: poging systeem om gedachten en gedrag te beïnvloeden.
Iedereen heeft een eigen culturele bril (referentiekader) bepaalt wat
normaal of gek lijkt.
Etnocentrisme: eigen cultuur als maatstaaf nemen andere culturen worden
als vreemd of minderwaardig gezien.
Cultuurrelativisme: beoordelen van culturen op basis van hun eigen normen,
zonder eigen normen als uitgangspunt.