Theorie
Testdoelen van licht naar zwaar
→ Hoe zwaarder het doel, hoe hoger de kwaliteitseisen aan de test moeten zijn
1. Groepsonderzoek
2. Signalering
3. Inzicht krijgen
4. Adviseren
5. Screening
6. Diagnostiseren
7. Besluiten
COTAN-criteria (kwaliteitseisen)
Criterium Kernwoord Uitleg
1. Normen Afkapscore Zijn er betrouwbare normen
of grenswaarden
2. Betrouwbaarheid Herhaalbaarheid Geeft herhaalde meting
dezelfde conclusie?
3. Begripsvaliditeit Inzicht Meet de test, wat hij zou
moeten meten?
4. Criteriumvaliditeit Voorspellen Kan de test voorspellen,
wat je wilt voorspellen?
Koppeling testdoelen aan COTAN-criteria
1. Groepsonderzoek Vergelijken van groepen op Normen
gemiddelden of correlaties Betrouwbaarheid
Begripsvaliditeit
Criterium
2. Signalering Snel screenen naar Normen
mogelijke problemen Betrouwbaarheid
Begripsvaliditeit
Criterium
3. Inzicht krijgen Begrijpen van aard van Normen
problemen → zonder Betrouwbaarheid
diagnose of advies Begripsvaliditeit
, Criterium
4. Adviseren Testgebruik om persoon te Normen
helpen beslissen → Betrouwbaarheid
persoon beslist zelf Begripsvaliditeit
Criterium
5. Screening Onderzoek bij vermoeden Normen
van problemen om richting Betrouwbaarheid
diagnose te gaan Begripsvaliditeit
Criterium
6. Diagnosticeren Officiële diagnose stellen Normen
Betrouwbaarheid
Begripsvaliditeit
Criterium
7. Besluiten/selecteren Beslissingen nemen over Normen
persoon zonder volledige Betrouwbaarheid
inspraak van de persoon Begripsvaliditeit
Criterium
Belangrijk verschil: testdoel vs gebruikers doel
1. Testdoel = waarvoor de test ontwikkeld is
2. Gebruikersdoel = waarvoor de psycholoog de test in de praktijk gebruikt
Situatieschets:
1. Gebruiksdoel lichter dan testdoel → mag dit volgens COTAN → ja, meestal geen
probleem
2. Gebruiksdoel zwaarder dan testdoel → mag dit volgens COTAN → nee, tenzij
aangetoond vereist te zijn
Praktische gevolgen:
● Gebruik een test alleen binnen de grenzen van wat hij aankan
● Wees voorzichtig met het inzetten van tests voor diagnoses of selectie als ze daar
niet voor ontworpen zijn
● Vertrouw niet alleen op voldoende van de COTAN; kijk waarvoor die voldoende
geldt.
Conclusies:
1. Niet elke test gebruik is verantwoord, ook al is de test goedgekeurd
2. De zwaarte van het gebruikersdoel bepaalt hoe hoog de lat moet liggen.
3. Als het gebruiksdoel zwaarder is dan het testdoel → test is ongeschikt.
4. In uitzonderlijke situaties kan een genuanceerde afweging nodig zijn.
,Thema 2 - factoranalyse
Theorie
Wat is factoranalyse?
Factoranalyse onderzoekt of meerdere items/variabelen samenhangen doordat ze (deels)
hetzelfde onderliggende construct meten. Het helpt bij constructvaliditeit en bij het vormen
van schalen.
EFA vs CFA (kernverschillen)
Onderdeel EFA CFA
Doel Structuur verkennen zonder vooraf Vooraf model toetsen
model
Structuur Data bepaalt aantal factoren Structuur ligt vooraf vast,
(eigenwaarden/screeplot) wordt getoetst met fitmaten
Output Screeplot, eigenwaarden, ladingen Vaste item–factorrelaties;
herkenning (items kunnen op meerdere factoren uitgesloten ladingen zijn 0;
laden) globale fitindices
Waar let je op? Ladingen (≥ .30), communaliteiten (≥ Fitindices (bv. CFI, RMSEA)
.40), % verklaarde variantie
Extractie/rotatie Extractie (bv. ML) + rotatie (bv. Geen rotatie; ML schat
Varimax/Promax) parameters
Vuistregels CFA-fit: CFI ≥ .95 en RMSEA ≤ .06
Unifactorieel (unidimensioneel) toetsen met EFA (1 factor)
Dit is een EFA waarbij je aantal factoren fixeert op 1, om te checken of alle items één
schaal/construct vormen.
Criteria voor “geslaagd” unidimensioneel:
● Factorladingen ≥ .40
● Communaliteiten ≥ .40
● Eigenwaarde factor 1 > 1
● Factor 1 verklaart ≥ 40% van de totale variantie
Wanneer niet geslaagd: meerdere items laden zwak (< .30), lage communaliteiten (<
.40), meerdere factoren met eigenwaarde > 1, of factor 2 verklaart bijna evenveel als
factor 1.
, Belangrijke begrippen + vuistregels
Begrip Betekenis Vuistregels / interpretatie
Eigenwaarde Hoeveel variantie een > 1 behouden (Kaiser) + screeplot
factor verklaart “knikpunt”
Factorlading Correlatie item–factor ≥ .30–.40 interpretabel, ≥ .50 sterk
Communaliteit Deel van itemvariantie h² ≥ .40 gewenst, h² < .30 mogelijk zwak
(h²) verklaard door factor(en) item
Uniqueness Onverklaarde communality + uniqueness = 1 (dus h² =
(jamovi) itemvariantie 1 − uniqueness)
Fit en beslissing over “genoeg factoren” (ML-fitmaten)
Vuistregels:
● χ² p > .05 = goed
● RMSEA < .05 = goed; < .08 = acceptabel; > .08 = slecht
Beslisschema (samengevat):
● p > .05 → genoeg factoren
● p < .05 + RMSEA < .05 → toch goede fit → genoeg factoren
● p < .05 + RMSEA .05–.08 → twijfelgeval
● p < .05 + RMSEA > .08 → te weinig factoren
Uitvoeren - Stappenplan Jamovi
1. Variabelen zijn numeriek en schaal
2. Analyses → Factor → EFA/CFA
● Wanneer EFA? Je kiest EFA (exploratieve factoranalyse) als je de
factorstructuur nog niet zeker weet en je die eerst uit de data wilt
verkennen
● Wanneer CFA?Je kiest CFA (confirmatieve factoranalyse) als je van
tevoren een model/hypothese hebt
EFA