ONDERNEMINGSREC
HT-1
OPLEIDING HBO-RECHTEN
Duaal/Deeltijd-1
Onderwijsblok 1.3
,Inhoudsopgave
Werkcollege 3: NV & BV.................................................................................................................12
2
, Werkcollege 1: Ondernemingsvormen met rechtspersoonlijkheid
Studiestof:
Boek ‘Praktisch Ondernemingsrecht’: Hoofdstuk 1: §1.1 t/m 1.4, 1.6, 1.8 t/m 1.10
Hoofdstuk 3: §3.1 en 3.2
Jurisprudentie: - HR 6 april 1979 (Kleuterschool Babbel)
Open vragen
Vraag 1.
1a. Wat is een rechtspersoon?
Drager van rechten en plichten, het heeft een eigen vermogen (bezittingen, schulden, vorderingen)
en kan zelf rechtshandelingen verrichten
1b. Noem de zes privaatrechtelijke rechtspersonen die we kennen in Nederland.
Bv, nv, vereniging (formeel en informeel), stichting, onderlinge waarborgmaatschappij, coöperatie,
ondernemingen met een Europese rechtspersoon, kerkgenootschappen (art. 2:2-3 BW)
1c. Kan een rechtspersoon partij zijn bij een overeenkomst?
Ja, art. 2:5 BW. Er is dan vertegenwoordiging nodig
Vraag 2.
Waar in de wet worden de volgende rechtspersonen - elk afzonderlijk - omschreven?
Noteert u ook waar in de wet de oprichting van elk van deze rechtspersonen is geregeld.
NV (Boek 2 titel 4, art. 64)
BV (Boek 2 titel 5, art. 175)
Stichting (Boek 2 titel 6, art. 285)
Formele en informele vereniging (Boek 2 titel 2, art. 26 en 27)
Vereniging kan opgericht worden zonder notariële akte, want vrijheid van vereniging is een
grondrecht o.g.v. art. 8 Gw
MC vragen
Vraag 3.
Wat betekent de faillietverklaring van een rechtspersoon?
A. Een gerechtelijk beslag op het gehele privé-vermogen van een bestuurder van een
rechtspersoon ten behoeve van de schuldeisers van de rechtspersoon.
B. Een gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van een aandeelhouder ten behoeve van
de schuldeisers van de rechtspersoon.
3