1. De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
Het BW kent een gelaagde opbouw van algemeen naar bijzonder. Eerst geeft het BW dus
de algemene regels die voor een onderwerp gelden. Voor specifiekere situaties kun je in
andere boeken kijken. Des te gedetailleerder de regels worden, des te verder je komt in het
BW. Hieronder een lijstje met de relevante boeken voor deze cursus.
- Boek 3: Vermogensrecht algemeen
- Boek 5: Goederenrecht
- Boek 6: Overeenkomstenrecht
- Boek 7: Bijzondere overeenkomsten
In boek 3 en 5 is het goederenrecht te vinden. Overeenkomstenrecht is te vinden in de
boeken 3,6 7
2. De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus.
1. Contractsvrijheid: Partijen zijn vrij om met elkaar overeen te komen wat ze maar
willen. Dit hoeft dus niet in de wet te staan.
o Mag niet is strijd zijn met hogere wetgeving
o De openbare orde en openbare zeeën
2. Belofte maakt schuld: Als je een afspraak maakt, moet je die ook nakomen.
3. Vormvrijheid: Gaat om de vorm van de afspraak (contract, mondeling, WhatsApp
etc. Je hebt dus vrijheid in de vorm tenzij dit anders in de wet staat.
4. Redelijkheid en billijkheid: Je houdt rekening met wat er redelijk is en wat er.
Gevoelsmatig goed voelt.
o Hier is veel jurisprudentie over
5. Bijzonder gaat voor algemeen. Bijvoorbeeld: BW 7 gaat voor BW 3.
3. De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot
rechtsfeit en verbintenis in een casus.
- Rechtshandeling: Je wil is wel van belang.
- Feitelijke handeling: Je wil is hier niet van belang. Een verbintenis op grond van
onrechtmatige daad of rechtmatige daad ontstaat namelijk niet uit wilovereenkomst
maar uit. (Bijvoorbeeld schadevergoeding: vaak wil je niet een vaas laten vallen,
maar je bent wel verplicht de schade te betalen.)
- Bloot rechtsfeit: Hiervoor is geen juridisch handelen nodig. Bijvoorbeeld 18 jaar
worden. Doordat je 18 bent veranderen er dingen zonder dat hier juridisch handelen
bij nodig is. (zo moet je zelf je zorgverzekering betalen en mag je bijvoorbeeld zelf
rijden)
- Verbintenis: Er ontstaat een vermogensrechtelijke band, dit uit zich bij een
verbintenis in het feit dat de ene persoon verplicht is tot het verrichten van een
prestatie, terwijl de andere persoon recht heeft daarop. Het komt er dus op neer dat
de één iets moet doen of moet nalaten en dat de ander daar recht op heeft.
, 4. De student past de rechtsregels omtrent verbintenissen uit de wet toe in een
casus.
- Onverschuldigde betaling: Als iemand per ongeluk 2 miljoen euro op jouw rekening
stort moet je dit terugbetalen. Deze persoon heeft dit onverschuldigd betaald, hij had
namelijk geen verbintenis om dit te betalen
- Ongerechtvaardigde verrijking: Als je in het bovenstaande voorbeeld 2 miljoen euro
op je rekening onterecht hebt ontvangen en je hier ook rente over ontvangt, moet je
die rente ook terugbetalen. Er ontstaat een verplichting tot terugbetaling op grond
van verrijking
- Zaakwaarneming: Stel je gaat op vakantie en je ruit gaat kapot. Je buurman herstelt
dit en maakt hier dus ook kosten voor. Zodra je terugkomt van je vakantie ben je
verplicht het bedrag dast je buurman heeft betaald terug te betalen.
5.De student past de voorwaarden van een rechtshandeling toe in een casus.
- Een overeenkomst en een aanvaarding. Deze aanvaarding moet aansluiten op
het aanbod. Een aanvaarding die afwijkt van het aanbod kan als een nieuw
aanbod worden gezien.
- De aanvaarding moet de tegenpartij hebben bereikt
- Het aanbod moet tijdig worden aanvaard
- Verbintenissen moeten voldoende bepaalbaar zijn.
Een aanbod is in bepaalde zaken slechts een uitnodiging tot het doen van een
aanbod. Dit is het geval als:
Meer dan de prijs van belang is. Bijvoorbeeld bij een huis, je wil meer te
weten komen over wie je voor je hebt.
Het aanbod niet specifiek is.
6.De student past de voorwaarden van de totstandkoming van een
overeenkomst toe in een casus.
1) Je moet handelingsbekwaam zijn.
o Minderjarigen en onder curatele gestelde zijn niet handelingsbekwaam
2) Je wil en je verklaring komen overheen
o Als dit niet het geval is: 3:33 BW, tenzij 3:35 BW
3) Voldoet aan de vormvereiste
o De hoofdregel is vormvrij
4) Niet in strijd met de wet, goede zede of de openbare orde.
o Als dit niet het geval is: 3:40 BW
Het BW kent een gelaagde opbouw van algemeen naar bijzonder. Eerst geeft het BW dus
de algemene regels die voor een onderwerp gelden. Voor specifiekere situaties kun je in
andere boeken kijken. Des te gedetailleerder de regels worden, des te verder je komt in het
BW. Hieronder een lijstje met de relevante boeken voor deze cursus.
- Boek 3: Vermogensrecht algemeen
- Boek 5: Goederenrecht
- Boek 6: Overeenkomstenrecht
- Boek 7: Bijzondere overeenkomsten
In boek 3 en 5 is het goederenrecht te vinden. Overeenkomstenrecht is te vinden in de
boeken 3,6 7
2. De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus.
1. Contractsvrijheid: Partijen zijn vrij om met elkaar overeen te komen wat ze maar
willen. Dit hoeft dus niet in de wet te staan.
o Mag niet is strijd zijn met hogere wetgeving
o De openbare orde en openbare zeeën
2. Belofte maakt schuld: Als je een afspraak maakt, moet je die ook nakomen.
3. Vormvrijheid: Gaat om de vorm van de afspraak (contract, mondeling, WhatsApp
etc. Je hebt dus vrijheid in de vorm tenzij dit anders in de wet staat.
4. Redelijkheid en billijkheid: Je houdt rekening met wat er redelijk is en wat er.
Gevoelsmatig goed voelt.
o Hier is veel jurisprudentie over
5. Bijzonder gaat voor algemeen. Bijvoorbeeld: BW 7 gaat voor BW 3.
3. De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot
rechtsfeit en verbintenis in een casus.
- Rechtshandeling: Je wil is wel van belang.
- Feitelijke handeling: Je wil is hier niet van belang. Een verbintenis op grond van
onrechtmatige daad of rechtmatige daad ontstaat namelijk niet uit wilovereenkomst
maar uit. (Bijvoorbeeld schadevergoeding: vaak wil je niet een vaas laten vallen,
maar je bent wel verplicht de schade te betalen.)
- Bloot rechtsfeit: Hiervoor is geen juridisch handelen nodig. Bijvoorbeeld 18 jaar
worden. Doordat je 18 bent veranderen er dingen zonder dat hier juridisch handelen
bij nodig is. (zo moet je zelf je zorgverzekering betalen en mag je bijvoorbeeld zelf
rijden)
- Verbintenis: Er ontstaat een vermogensrechtelijke band, dit uit zich bij een
verbintenis in het feit dat de ene persoon verplicht is tot het verrichten van een
prestatie, terwijl de andere persoon recht heeft daarop. Het komt er dus op neer dat
de één iets moet doen of moet nalaten en dat de ander daar recht op heeft.
, 4. De student past de rechtsregels omtrent verbintenissen uit de wet toe in een
casus.
- Onverschuldigde betaling: Als iemand per ongeluk 2 miljoen euro op jouw rekening
stort moet je dit terugbetalen. Deze persoon heeft dit onverschuldigd betaald, hij had
namelijk geen verbintenis om dit te betalen
- Ongerechtvaardigde verrijking: Als je in het bovenstaande voorbeeld 2 miljoen euro
op je rekening onterecht hebt ontvangen en je hier ook rente over ontvangt, moet je
die rente ook terugbetalen. Er ontstaat een verplichting tot terugbetaling op grond
van verrijking
- Zaakwaarneming: Stel je gaat op vakantie en je ruit gaat kapot. Je buurman herstelt
dit en maakt hier dus ook kosten voor. Zodra je terugkomt van je vakantie ben je
verplicht het bedrag dast je buurman heeft betaald terug te betalen.
5.De student past de voorwaarden van een rechtshandeling toe in een casus.
- Een overeenkomst en een aanvaarding. Deze aanvaarding moet aansluiten op
het aanbod. Een aanvaarding die afwijkt van het aanbod kan als een nieuw
aanbod worden gezien.
- De aanvaarding moet de tegenpartij hebben bereikt
- Het aanbod moet tijdig worden aanvaard
- Verbintenissen moeten voldoende bepaalbaar zijn.
Een aanbod is in bepaalde zaken slechts een uitnodiging tot het doen van een
aanbod. Dit is het geval als:
Meer dan de prijs van belang is. Bijvoorbeeld bij een huis, je wil meer te
weten komen over wie je voor je hebt.
Het aanbod niet specifiek is.
6.De student past de voorwaarden van de totstandkoming van een
overeenkomst toe in een casus.
1) Je moet handelingsbekwaam zijn.
o Minderjarigen en onder curatele gestelde zijn niet handelingsbekwaam
2) Je wil en je verklaring komen overheen
o Als dit niet het geval is: 3:33 BW, tenzij 3:35 BW
3) Voldoet aan de vormvereiste
o De hoofdregel is vormvrij
4) Niet in strijd met de wet, goede zede of de openbare orde.
o Als dit niet het geval is: 3:40 BW