Ethiek
Moreel uitgangspunt: een omschrijving van iets dat op zichzelf nastrevenswaardig is wat
betreft het menselijk samenleven.
Moreel oordeel: een waardering van menselijk gedrag aan de hand van morele
uitgangspunten. Er zijn 5 kenmerken:
1. Gaat over menselijk gedrag.
2. Is veralgemeniseerbaar.
3. Schrijft voor hoe het moet.
4. Is gericht op het goede.
5. Kan morele verontwaardiging veroorzaken.
Universaliteitsprincipe: oordelen in één situatie is automatisch ook oordelen over anderen
in zo’n situatie.
Intuïtief moreel oordeel: een moreel oordeel dat automatisch in je opkomt, je hoeft er niet
over na te denken. Het is normaal dat je iemand laat uitpraten, dat is wat automatisch in je
omgaat. Soms schiet het tekort in het functioneren van een professional:
1. Je morele intuïtie is niet uit te leggen aan anderen.
2. Als je alleen intuïtief oordeelt, kun je niet leren van je fouten successen.
3. Je intuïtie bereidt je niet voor op nieuwe situaties.
Objectiveren (kennen): het kunnen beschrijven van wat er om je heen gebeurt. Is het waar?
Subjectiveren (voelen): hoe je je voelt als er iets om je heen gebeurt. Hoe voel ik me?
Normeren (beoordelen): het beoordelen van gedrag op basis van je eigen oordeel. Is het
juist?
Moraal: het geheel van gedeelde morele oordelen van een groep dat ontstaat in een
gesprek. Het is een geheel van morele regels waaraan wij onszelf en anderen in acht
houden.
Ethiek: de wetenschap die moraal bestudeert en die er naar streeft de moraal verder te
helpen door nieuwe argumenten te ontwikkelen en te gebruiken.
Moreel vertoog: het geheel aan communicatie en interactie waarin mensen hun morele
oordelen, en daarmee hun moraal, vormen en op elkaar afstemmen.
Morele vraag: een hulpmiddel om een proces op gang te krijgen waarin je je oordeel beter
onderbouwt.
(Morele) norm: een argument in de vorm van een regel waar je je aan moet houden. Hoe
moet je je gedragen?
Moreel uitgangspunt: een omschrijving van iets dat op zichzelf nastrevenswaardig is wat
betreft het menselijk samenleven.
Moreel oordeel: een waardering van menselijk gedrag aan de hand van morele
uitgangspunten. Er zijn 5 kenmerken:
1. Gaat over menselijk gedrag.
2. Is veralgemeniseerbaar.
3. Schrijft voor hoe het moet.
4. Is gericht op het goede.
5. Kan morele verontwaardiging veroorzaken.
Universaliteitsprincipe: oordelen in één situatie is automatisch ook oordelen over anderen
in zo’n situatie.
Intuïtief moreel oordeel: een moreel oordeel dat automatisch in je opkomt, je hoeft er niet
over na te denken. Het is normaal dat je iemand laat uitpraten, dat is wat automatisch in je
omgaat. Soms schiet het tekort in het functioneren van een professional:
1. Je morele intuïtie is niet uit te leggen aan anderen.
2. Als je alleen intuïtief oordeelt, kun je niet leren van je fouten successen.
3. Je intuïtie bereidt je niet voor op nieuwe situaties.
Objectiveren (kennen): het kunnen beschrijven van wat er om je heen gebeurt. Is het waar?
Subjectiveren (voelen): hoe je je voelt als er iets om je heen gebeurt. Hoe voel ik me?
Normeren (beoordelen): het beoordelen van gedrag op basis van je eigen oordeel. Is het
juist?
Moraal: het geheel van gedeelde morele oordelen van een groep dat ontstaat in een
gesprek. Het is een geheel van morele regels waaraan wij onszelf en anderen in acht
houden.
Ethiek: de wetenschap die moraal bestudeert en die er naar streeft de moraal verder te
helpen door nieuwe argumenten te ontwikkelen en te gebruiken.
Moreel vertoog: het geheel aan communicatie en interactie waarin mensen hun morele
oordelen, en daarmee hun moraal, vormen en op elkaar afstemmen.
Morele vraag: een hulpmiddel om een proces op gang te krijgen waarin je je oordeel beter
onderbouwt.
(Morele) norm: een argument in de vorm van een regel waar je je aan moet houden. Hoe
moet je je gedragen?