Week 1A en B De democratische rechtstaat
De Staat
Het begrip staat kun je vanuit verschillende perspectieven bekijken, namelijk het
extern perspectief en het intern perspectief.
Bij het extern perspectief kijk je vanuit het internationaal recht. Het gaat in
dat geval om de verhoudingen tussen staten. De Staat wordt van buitenaf
bekeken.
Bij het intern perspectief kijk je vanuit het staatsrecht. Er wordt gekeken
naar hoe de Staat binnen de grenzen is georganiseerd. De staat wordt
gedefinieerd als een organisatie die met voorrang boven ander
organisaties effectief gezag uitoefent over een gemeenschap van mensen
op een bepaald grondgebied. Er is sprake van een staat, indien aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
o Een gemeenschap van mensen
o Op een bepaald grondgebied
o Waarover gezag wordt uitgeoefend door een overheid die over
dwangmiddelen beschikt
Een Staat moet erkend worden door andere staten voordat het een staat is
De overheid
De overheid is een verzamelbegrip voor verschillende instellingen en organen. In
het recht gaat het altijd om een specifiek onderdeel van de overheid.
Bevoegdheden berusten bij specifieke ambten (organen).
Eenzijdige machtsuitoefening
In het algemeen belang
Een groot deel van het staatsrecht gaat over de vraag: hoe voorkom je dat
de overheid te veel macht krijgt en zijn macht misbruikt?
Het staatsrecht biedt instrumenten aan de overheid om dingen voor elkaar
te krijgen, maar tegelijkertijd ook waarborgen om ervoor te zorgen dat de
overheid niet te veel macht kracht en zijn macht gaat misbruiken
Het Koninkrijk der Nederlanden
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-
Maarten. Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn zelfstandige landen binnen het
Koninkrijk der Nederlanden. Bonaire, Sint-Eustatius en Saba horen bij het land
Nederland (en behoren dus ook tot het Koninkrijk). Deze eilanden zijn bijzondere
gemeenten in Nederland en doen dus ook mee met de verkiezingen voor
Nederland.
Democratische rechtsstaat
Democratie: hoe zorg je ervoor dat de overheid de juiste dingen doet (in
het algemeen belang)
o Essentie van het begrip democratie: besluitvorming bij meerderheid
Rechtsstaat: hoe zorg je ervoor dat een overheid zijn (democratische)
macht niet misbruikt, en rekening houdt met minderheden en individuen
o Essentie van het begrip rechtsstaat: de overheid is zelf gebonden
aan het recht
, Democratische rechtsstaat: invloed van burgers op de vorming van het
recht en binding van de overheid aan het recht
Democratie en rechtsstaat zijn niet hetzelfde, maar zijn niet ‘los verkrijgbaar’
In een democratie wordt het staatsbestuur uitgeoefend door/in
overeenstemming met de wil van het volk. Er kan zowel sprake zijn van een
indirecte als directe democratie. Bij een indirecte democratie beslissen burgers
niet rechtstreeks over wetten en beleid, dit wordt overgelaten aan gekozen
volksvertegenwoordigers. Burgers kiezen deze volksvertegenwoordigers bij
verkiezingen. Bij een directe democratie beslissen burgers mee over
staatszaken, dit wordt gedaan aan de hand van een referendum. Verder
kenmerkt een democratie zich doordat besluitvorming bij meerderheid van
stemmen plaatsvindt (art. 67 lid 2 Gw).
De cumulatieve vereisten van het begrip rechtstaat zijn:
1. Legaliteitseis (legaliteitsbeginsel: de overheid mag niks zonder wettelijke
grondslag)
2. Machtenscheiding
3. Onafhankelijke rechtspraak
4. (Klassieke) grondrechten.
Vertegenwoordigende democratie
Voor een vertegenwoordigende democratie heb je nodig:
Kiesrecht: geen volksvertegenwoordigers zonder dat er kiezers zijn (vereist
voor het laten functioneren van een democratie)
Openbaarheid: volksvertegenwoordigers moeten hun keuzen openbaren,
zodat je er eens in de vier jaar weer over kan stemmen
Participatie
Tijdelijkheid
Verenigingsvrijheid
Vrijheid van meningsuiting: geen politiek zonder vrijheid van
meningsuiting
Gelijkheid
Rekening houden met minderheden – kiesstelsel
Grondregels
De eerste grondregel: “Geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet”
Een overheidsambt mag alleen overheidsgezag uitoefenen, als dat
handelen gebaseerd is op een voorafgaande, algemene, democratisch
gelegitimeerde regel (het legaliteitsbeginsel)
Een overheidsorgaan mag alleen handelen als dit gebaseerd is op de wet.
Of een ambt bevoegd is volgt (direct of indirect) uit de wet (in formele zin
of Grondwet)
Overheden mogen niks tenzij het is toegestaan en burgers mogen alles
tenzij het verboden is
De tweede grondregel: “Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle bestaat”
De uitoefening van overheidsgezag dient altijd aan controle (door een
ander ambt) te zijn onderworpen
Bevoegdheden moeten altijd gecontroleerd worden, dus geen
bevoegdheden zonder dat daar verantwoording over wordt afgelegd
, Controle moet mogelijk zijn door de rechter en politiek
o Rechterlijke controle (rechtmatigheid): rechter moet zich beperken
tot de vraag of iets rechtmatig is. De rechter controleert
overheidshandelen op rechtmatigheid
o Democratische controle (parlement, politiek): de politiek kan een
wethouder ter verantwoording roepen en toetsen of het
overheidshandelen wenselijk is
De regering wordt gecontroleerd door het parlement
Staatsrecht
Overheidsmacht is geen persoonlijk bezit
o Instituties
o Tijdelijkheid (waarborgen om te voorkomen dat mensen geen
afstand meer willen doen van hun gezag)
o Machtenspreiding
o Grondrechten
Staatsrecht: regels voor het handelen van de staat
o Instellen en organiseren van ‘de overheid’
o Controle van overheidsmacht
o Begrenzen van overheidsmacht
o Grondrechten van burgers
Grondwet en Constitutie
De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat.
Constitutie is de centrale regeling van de democratische rechtstaat. Constitutie
kan worden onderverdeeld in materiële constitutie en formele constitutie. De
materiële constitutie omvat alle regels (ongeschreven en geschreven) die zo
wezenlijk zijn voor het functioneren van de democratische rechtsstaat
(voorbeeld: de vertrouwensregel en het legaliteitsbeginsel). De formele
constitutie is de geschreven Grondwet.
De Nederlandse Grondwet bevat de belangrijkste regels van het
staatsrecht, maar is daarin niet volledig (de vertrouwensregel en het
legaliteitsbeginsel staan niet in de Grondwet, maar zijn wel belangrijk!)
De Grondwet staat hoger in de normenhiërachie dan andere nationale
wetgeving
De Nederlandse Grondwet kent een verzwaarde wijzigingsprocedure (en
ook een verzwaarde procedure voor de totstandkoming)
o Rigid constitution = rigide constitutie = een grondwet die moeilijker
te wijzigen is dan een gewone wet = de Grondwet is niet volgens de
gewone procedure voor de vaststelling van wetten kan worden
gewijzigd
o Artikel 137 Gw: regeling van de procedure
De Nederlandse Grondwet heeft een sober karakter. Het heeft geen
symbolische of communicatieve functie. In de Grondwet staat praktisch
wat nodig is
Bronnen van het staatsrecht
Het Staatsrecht is terug te vinden in geschreven en ongeschreven bronnen
en jurisprudentie. De geschreven bronnen bestaan uit het Statuut voor het
Koninkrijk der Nederlanden, de Grondwet, Verdragen (EVRM), wetten in formele
, zin (in het bijzonder organieke wetgeving) en lagere regelgering en Reglementen
van Orde van de Tweede Kamer, Eerste Kamer en Minsterraad. Het ongeschreven
recht bestaat uit gewoonterecht en rechtsbeginselen, zoals de vertrouwensregel,
het evenredigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel.
Organieke wetten zijn uitwerkingen van de Grondwet en hebben dezelfde
status als alle andere wetten. Organieke wetten zijn dus niet hoger en
hebben ook niet altijd voorrang (de normale voorrangsregels gelden).
Voorbeelden: Kieswet en Provinciewet
Reglementen van Orde zijn interne huishoudelijke documenten
Het bijzondere karakter van het staatsrecht
Het staatsrecht bindt de overheid aan het recht (= essentie rechtsstaat)
Het roept de staatsorganisatie in het leven en bepaalt hoe deze eruit ziet;
Het vormt de basis voor de bevoegdheidsverdeling in de staat;
Het ligt aan de totstandkoming van het andere recht dat door de overheid
gemaakt wordt ten grondslag;
Het bevat fundamentele rechten die tegen de overheid kunnen worden
ingeroepen.
Handhaving van het staatsrecht is soms lastig. Er zijn grote onderwerpen
waarbij je niet veel bij de rechter kunt halen. De organen moeten zelf de
problemen/onderwerpen oplossen
Evolutie en revolutie
Een Grondwet komt vaak tot stand na een evolutie of revolutie, dus na een
heftige gebeurtenis. In de Nederlandse Grondwet is niet veel geregeld. Alles staat
er vrij kort en er zijn veel dingen die ontbreken in de Grondwet. De Grondwet is
een historisch document.
Veel moderne staten hebben een bloedige en abrupte
ontstaansgeschiedenis (revolutie)
Hun staatsrecht is veelal op fundamentele uitgangspunten gebaseerd, al
dan niet terug te vinden in hun Constitutie
De Nederlandse staat kent een tamelijk geleidelijke ontwikkeling (evolutie),
zonder al te grote abrupte veranderingen
Het staatsrecht is, mede daarom, weinig principieel
Historische ontwikkeling van de staat is daarom belangrijker
Maar: een historische uitleg kan ook ontwikkelingen tegenhouden. De
uitleg van de Grondwet is lastig doordat het een oude Grondwet is.
Situaties van toen zijn niet vergelijkbaar met de situaties van nu
Verdeling van macht (tweede kenmerk rechtsstaat)
Machtenscheiding (trias politica) = de staatsmacht is gespreid over verschillende
organen, die een deel van die macht uitoefenen en elkaar wederzijds controleren
en in evenwicht houden. De centrale overheid bestaat dus uit een samenstel van
organen, die ieder slechts een deel van de overheidstaak uitoefenen en die
elkaar nodig hebben om te regeren en te besturen. Zo houden die organen elkaar
in evenwicht en controleren zij (deels) ook elkaar (check & balances). Er bestaan
drie organen in de staat die ieder een eigen functie uitoefenen en onafhankelijk
zijn van elkaar. Vanuit deze leer gaan we ervanuit dat de burger het best gediend
is met een scheiding van deze drie functies:
Wetgeving (= algemeen verbindende voorschriften)
Bestuur (= uitvoerende macht)