Organiseren is een verbindende factor: optimaal laten samenwerken van alle deelgebieden.
Organiseren: Optimaal laten samenwerken van mensen en middelen om een doel te
bereiken.
Manager: persoon die sturing geeft aan processen mensen en middelen om een bepaald
doel te bereiken.
Onderneming: een bedrijf met als belangrijkste doel winst maken.
Rechtsvorm: samenwerking van natuurlijke of rechtspersonen of combinaties met het oog
op gemeenschappelijk doel of belang.
Natuurlijke personen: eenmanszaak, maatschap VOF, CV.
Rechtspersoon: NV, BV, Coöperatie, vereniging, stichting.
H2
Strategie: langetermijndoel van een organisatie en inzet van middelen en activiteiten om die
te bereiken, termijn is 3-5 jaar, wat voor soort organisatie wil je zijn?
Gesloten systemen staan niet bloot aan veranderingen in de omgeving waar ze geen
directe invloed op hebben.
Innovatie: toepassing van nieuwe ideeën, goederen diensten en processen.
Procesinnovatie: het aanpassen van bedrijfsprocessen gericht op de verbetering van
efficiënte, kwaliteit en of effectiviteit.
Open systemen houden wel rekening met impulsen van buitenaf om te voorkomen dat de
aansluiting verloren gaat.
Externe analyse (macro/algemene omgeving) door middel van DESTEP:
- Demografische ontwikkelingen: kenmerken van de bevolking zoals omvang (groeit
of krimpt), leeftijdsstructuur en samenstelling;
- Economische ontwikkelingen: kenmerken van de economie en de
nationale/internationale economische ontwikkelingen > nationaal inkomen,
besteedbaar inkomen, koopkracht, consumentenvertrouwen;
- Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen: relatie tussen mensen (sociaal) en
maatschappij (samenleving) zoals cultuur, waarden en normen: diversiteit,
inclusiviteit, opleiding, religie, leefstijl en consumentengedrag;
Consumentisme: het streven van consumenten, door zich te organiseren, sterker te
staan tegenover de producenten en hun belangen gezamenlijk te verdedigen
- Technologische ontwikkeling: innovatie, informatie en communicatietechnologie,
procesinnovatie, productinnovatie
- Ecologische ontwikkelingen: duurzaamheid etc lijkt me duidelijk
- Politiek juridische ontwikkelingen: alles gekoppeld aan politiek.
Strategische fit: aansluiting van de organisatie op de omgeving.
De organisatie wordt beïnvloed door medewerkers, klanten media, banken en
aandeelhouders.
Porter -> Concurrentiestrategie: jezelf onderscheiden van de concurrent
,Strategie niet verwarren met operationele effectiviteit: organisatie zo doeltreffend mogelijk
laten samenwerken -> middelen: betere inkoop/logistiek, uitbesteden Werkzaamheden.
Vijfkrachtenmodel van Porter
1. Onderhandelingsmacht van leveranciers: een markt is aantrekkelijk als de
onderhandelingsmacht van leveranciers klein is, deze is klein bij:
- Lage concentratie
- Hoge overstapkosten
- Geringe dreiging van voorwaartse integratie
- Gering belang van kopers
- Gering belang van het product
2. Onderhandelingsmacht van afnemers: markt aantrekkelijk als
onderhandelingsmacht afnemers gering is, deze is klein bij:
- Lage concentratie
- Hoge overstapkosten
- Groot aandeel in de kostprijs
- Gering dreiging van achterwaartse integratie
- Geringe info van afnemer
- Groot belang in productkwaliteit
3. Dreiging van nieuwe toetreders: markt aantrekkelijk als kans op nieuwe toetreders
klein is, is klein bij:
- Grote reputatie bestaande aanbieders
- Veel kapitaal nodig
- Beperkt of geen toegang tot afnemers
4. Dreiging van substituten: product kan gemakkelijk vervangen worden voor
goedkopere variant, markt aantrekkelijk als dit niet kan
5. Rivaliteit tussen bestaande aanbieders, is gering bij:
- Hoge marktgroei
- Grote verschillen in product
- Lage uittredingsdrempels
- Gering aandeel in vaste kosten
Concurrentiestrategieën van Porter: Differentiatie, kostenleiderschap en focusstrategie.
Effectiviteit: de mate waarin de beoogde doelen daadwerkelijk worden behaald
Efficiëntie: de mate waarin de activiteiten tegen de laagst mogelijke offers worden
uitgevoerd.
Kerncompetenties of kernbekwaamheden zijn unieke en voor de markt relevants heden
en essentieel voor concurrentievoordeel: Moeilijk te imiteren, voordeel voor koper, toepassen
in verschillende markten.
Actoren: partijen en personen in de directe omgeving van een organisatie
Strategie volgens Mintzberg: de vijf P’s:
Plan (strategie en richting)
Patroon (strategie en kijkt terug naar het verleden)
Positie (koppelen van producten en marken en positionering)
Perspectief (vertaling van strategie in visie en doelen door management)
, Strategisch management: het proces van systematische analyse van de interne en externe
factoren van een organisatie met beleidsopties: hoogste management of RvB.
Strategisch management heeft 6 fases, er kunnen loops plaatsvinden waarbij je teruggaat
naar de vorige fase. Vaak een rollend proces van jaar op jaar:
Fase 1: huidige fase: vanuit de missie, visie en ambitie
Fase 2: externe analyse -> k & b, omgevingsverkenning
Fase 3: interne analyse -> sterkten en zwakten van de organisatie
Fase 4: SWOT
Fase 5: strategievorming: a.d.h.v. eerdere fases beleid formuleren
Fase 6: uitvoeren en periodiek evalueren
Missie: bestaansredenen -> 5-10 jaar vast
Missie en visie veranderen weinig; ambitie is het lange-termijndoel dat de organisatie wil
bereiken.
Kernwaarden: de leidende principes, overtuigingen en drijfveren van de organisatie.
Organisatie wordt gezien als open systeem de wordt beïnvloed door medewerkers, klanten,
media, banken en aandeelhouders.
Er kan geen invloed worden uitgeoefend op de algemene omgeving : contextuele
omgeving.
Directe omgeving: transactionele omgeving : meso omgeving.
Tot 1960: efficiëntie belangrijk
Vanaf 1970: kwaliteit belangrijk
Vanaf 1980: flexibiliteit belangrijk
Vanaf 1990: onderscheid belangrijk
Vanaf 2005: interactie belangrijk
Wisselwerking: Input van omgeving van organisatie waar input uitkomt en output naartoe
gaat.
Stakeholders:
Intern: management, medewerkers, aandeelhouders of investeerders als belang groot is
Belanghebbenden in de directe omgeving: medewerkers, aandeelhouders, banken en
investeerders, belangenorganisaties, overheden, media, klanten, concurrenten.
Concurrenten: rivaliserende aanbieders die dezelfde klantenbehoefte in een segment
bevredigen.
Contextuele omgeving: de algemene omgeving om een organisatie waar zij geen invloed
op heeft.
De transactionele omgeving is de directe omgeving waar de organisatie wel direct invloed op
heeft en mee in contact staat.
Bedrijfstak: verzameling ondernemingen met gelijksoortige functie in het
voorbereidingsproces van product of dienst.
Branche: ondernemingen die grotendeels dezelfde producten en diensten leveren.
Marktsegment: groepen afnemers met overeenkomstige behoeften.
Markt is aantrekkelijk als onderlinge strijd tussen concurrenten minder is.