1. De student kent de verschillende stappen in de AMZ-cyclus en kan deze toepassen op een
praktijkvoorbeeld.
Verwachtingen en waarden
Verwachtingen
- Aannemelijk dat het er is (op basis van bijv. vondstmeldingen in de directe omgeving)
- Aannemelijker dat het op 1 locatie is en niet op een andere (bijv. door historisch -
geografische informatie, landschappelijke informatie (fysische geografie, geomorfologie,
geologie)
- Aannemelijk dat het op een locatie bewaard gebleven is en niet verdwenen (bijv. door
verstoringen)
- Aannemelijk door toponiemen of naamkunde: Stenen Kamer, Burcht, Woerd, Hof, Donk, Huis
- Nieuwe technieken: AHN
- Trefkans: hoog, gemiddeld, laag
- Conservering en gaafheid: hoog, gemiddeld, laag
- Kern (hoge dichtheid) en periferie (lage dichtheid)
- Aard: nederzettingsterrein en dorps- of stadskern (veel materiaal, uitgestrekt en
aaneengesloten), grafveld (verspreid en geïsoleerd), jachtkampje (beperkt in omvang en lage
vondstdichtheid
Waarden >> Dat het er zit, dat weet je vooraf al!
- Afhankelijk van ontwikkelingsprojecten (veel woningbouw en verstedelijking of niet)
- Afhankelijk van lokale archeologen en historische verenigingen
- Afhankelijk van vondstmeldingen en publicaties
- Afhankelijk van zichtbare (en onzichtbare) monumenten en woonkernen die al lang bekend
zijn (boven- en ondergronds!)
- Verspreidingsbeelden hoeven niet representatief te zijn: een bias of vertekening
Hoe deden we het vroeger?
Oud onderzoek tot 1990
- Veel mankracht en geen of weinig inzet graafmachines (en dan met getande bak)
- Vaak geen geld voor uitwerking en rapportage (veel onbekend opgeslagen in depots, veel
weggegooid)
- Veel onderzoek door non-professionals
- Beperkte middelen, weinig specialistisch onderzoek, postzegel-view gericht op klein deel van
terrein (woonkernen of hoofdgebouwen), nauwelijks kennis over landschappelijke en
bodemkundige context
- Veel noodonderzoek, werken voor de bulldozers uit
Onderzoek vanaf 1990
- Veel grondverzet met machines, inzet nieuwe landmeetkundige technieken en middelen
- Veel digitale documentatie, efficiënter werken, concurrentie van andere bedrijven, minder
gedetailleerd
- Alles moet snel (quick and dirty), rapportages vaak niet meer dan verantwoording van de
resultaten, synthese en onderzoek vaak beperkt (gaat om documenteren en
standaardrapportages)
- Waarnemingen zijn beter dan in de goede oude tijd, maar vaak ook slechter, want minder
gericht op de kleine sporen (geen machinale schaafbak in bijv. kleigebieden)
1
,Leerdoelen Erfgoed in het landschap
2. De student kan informatie van verschillende landschappelijke en archeologische
(cartografische) bronnen herkennen, interpreteren en aan elkaar relateren.
Casus, moeilijk uit te werken
Een landschap is een plek (plangebied) in het land
- Hier licht sediment in de ondergrond (veen, klei, zand, grind)
- Dit is hier ooit gekomen (afzettingsmechanisme)
- In een bepaalde periode (ouderdom)
- Dit bestaat uit landvormen
o Heuvels, dalen, ruggen, vlaktes (geomorfologie)
o Waar bodems in zijn ontwikkeld (bodemkunde)
- Het geheel vormt een landschap
- Dit geheel is begroeid en wordt gebruikt door de mens
2
, Leerdoelen Erfgoed in het landschap
Kaarten
Verwachtingskaarten: bouwstenen
- Landschappelijk onderzoek (veel veldwerk door studenten –
boringen)
o Universiteit van Wageningen (rivierengebied:
Havinga, Op ‘t Hof, Pons – vanaf 50’er jaren)
o Universiteit van Utrecht (rivierengebied: Berendsen,
Stouthamer, Cohen – vanaf jaren 70-80)
o TNO/NITG (voorheen Geologische Dienst Nederland:
Staring (vanaf 1833), Ente, Vos) – DINO-loket
o Eerste prospectiebedrijf gericht op archeologische
vindplaatsen: RAAP (vanaf 1995)
Verwachtingskaarten: Extrapolatie van bestaande gegevens
- Uitgangspunten:
o Mensen gaan ergens wonen waar het hoog en droog
genoeg is
o Ondergrond moet ook stabiel genoeg zijn (gedurende
een redelijke tijd: bijv. een generatie)
o Uitzondering: exploitatiegebieden die seizoensmatig
droogvallen (bijv. in de prehistorie: jacht- en viskampjes
o Maar: niet uitgesloten kan worden dat mensen ook de
natte en veranderlijke (dynamische) gebieden heeft bezocht, geëxploiteerd en zelfs
(tijdelijk) hebben bewoond
o Voorbeeld: uiterwaarden van rivieren - overstromingsgebieden buitendijks
- Nog meer uitgangspunten:
o Nederzettingen en huisplaatsen op natuurlijke en kunstmatige verhogingen
o Vaak in de buurt van natuurlijke of kunstmatige infrastructuur (rivieren, beken,
dammen, dijken, bruggen, knooppunten, havenplaatsen, ontginningswegen, polders
etc.)
o Vaak ook op plekken waar eerder ook al bewoning of activiteiten zijn geweest
o Aan de rand van natte en voedselrijke gebieden (exploitatie van grondstoffen, flora
en fauna)
o Opbouw van een verwachtingskaart op basis van bestaand kaartmateriaal
(landschap, historische kaarten etc.
IKAW – Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden
- Eerste poging – eind jaren 90:
o Op basis van landschappelijke kaarten en archeologische
waarnemingen
o Model: waar komen de archeologische vondsten vandaan en
waar liggen de hogere delen in het landschap?
o Donkerroze (hoge verwachting) – roze (gemiddeld) – geel (laag)
o Plangebied 1 ha (10.000 m2 )
o (Rode) blokjes: in welke verwachtingszone ligt het plangebied?
o Komt door de dichtheid aan basisgegevens – beperkt aantal boringen +
interpretatie/extrapolatie.
3