wetenschapsfilosofie
Cursus periode 4
B-B1ECEX20 | UU 1
,Ecology→
B-B1ECEX20 | UU 2
,Hoorcollege 1 - Organisms and physical environments
25/04/2025
Ecologie
● Wetenschappelijke studie van (interacties tussen) organismen en hun omgeving
○ De omgeving bestaat uit abiotische factoren en biotische factoren
(wisselwerking)
○ Natuurlijk kijken we ook naar de verspreiding en het aantal organismen,
en naar de regulatie en patronen
Abiotische factoren
● Niet levende factoren die invloed hebben op levende
factoren
○ Bijv. klimaatfactoren, zoals neerslag, wind, licht en
temperatuur
■ Verschillende temperaturen en hoeveelheden
neerslag zorgen voor verschillende
ecosystemen/landschappen
○ Ook edafische factoren, zoals bodemtype, pH,
nutriënten en topografie
Fundamentele ecologische principes
● Omgevingsfactoren, abiotische factoren variëren in ruimte en tijd
○ Bijv. hoog in de bergen vs op zeeniveau
● Organismen hebben een constante interne balans nodig (homeostase)
● Functioneren is alleen mogelijk binnen een beperkt tolerantiebereik
● De tolerantiebereiken verschillen tussen organismen
Niche
● Een niche is het bereik van fysische en chemische omstandigheden
(condities) waarbinnen een soort kan voortbestaan (overleven en
voortplanten)
○ De essentiële hulpbronnen (resources) die een soort nodig
heeft om voort te bestaan, horen daar ook bij
■ Er spelen ontzettend veel factoren mee → er ontstaan
meerdere dimensies, wat ervoor zorgt dat er een
hypervolume ontstaat
○ De niche wordt ook wel de ‘rol’ van een
organisme in de omgeving genoemd (het
‘beroep’)
■ We spreken dus van de functionele
B-B1ECEX20 | UU 3
, relaties van een organisme met de omgeving
○ Een habitat daarentegen is slechts de ‘verblijfplaats’ van een soort
● Iedere soort heeft een andere niche → we onderscheiden generalisten en
specialisten
○ Generalisten zitten vaak een beetje in het midden van een factor
■ Veel soorten zitten daar → dus veel competitie
○ Specialisten zitten vaak rond de extremen van een factor
■ Hier zijn minder soorten → dus weinig concurrentie
● Optimumcurven ontstaan doordat soorten en individuen bepaalde
omstandigheden verkiezen
○ Binnen een bepaalde range van
het optimum kan dan ook
reproductie (R) plaatsvinden
■ Wordt de factor extremer,
zal bijv. alleen groei (G)
kunnen plaatsvinden, en later zelfs alleen overleving (S)
● Op een bepaald punt kunnen individuen niet meer
overleven bij de extreme waarden
○ Optimumcurven zijn echter niet altijd belvormig
■ Curve b is nodig voor het leven, maar bij een teveel dodelijk (pH bv)
■ Een curve zoals c kan ontstaan voor sporenelementen → er is een
hele kleine hoeveelheid nodig voor het leven, maar ze worden
giftiger bij grotere hoeveelheden
Niche variabelen: condities en resources
● Binnen een niche kennen we dus variabelen: condities en resources (zijn
verschillend):
○ Condities zijn veranderlijk, en niet consumeerbaar
■ Denk aan temperatuur, pH, zoutgehalte, vochtigheid, etc.
○ Resources zijn veranderlijk, en consumeerbaar
■ Denk aan straling, CO2, water, nutriënten, nestplaatsen, etc.
Abiotische stress
● Te extreme waarde van abiotische factoren zorgen voor
abiotische stress
○ Organismen kunnen hier verschillend mee
omgaan
■ Stress tolerantie is het vermogen om te
blijven functioneren bij blootstelling aan
verschillende omstandigheden
● Bij een lage temperatuur zien we
dat de rode soort beter kan blijven
overleven → hogere tolerantie
B-B1ECEX20 | UU 4