Microbiologie (14)
Bacteriologie
Medische microbiologie = wetenschap die zich bezighoud met de
bestudering van MO
Infectieziekten begrijpen, herkennen en bestrijden
Kenmerken
- Blote oog niet zichtbaar-> via lichtmicroscoop zichtbaar (eerst
gekleurd)
- Fasecontrastmicroscoop -> levende bacteriën bekeken worden
- Vorm: coccen/ staven/spiraalvormigj-> los, in ketens/ groepjes liggen
- Ééncelligen = prokaryoot / eukaryoot = wel een celkern
Bacteriewand
3 Grote lagen
- Celmembraan / cytoplasmamembraan
o = Dubbele laag fosfolipiden = semipermeabel
o Ribosomen (= zorgen voor eiwitsynthese)
o Functie: actief transport, synthese en excretie van enzymen
en toxinen en ATP productie
- Celwand (peptidoglycaan/ mureïne)
o Speelt rol bij tot stand komen van trugor = zorgt voor
tegendruk als de cel door wateropname opzwelt. Het
peptiodglycaan of mureïne bestaat uit een meerlagig
vlechtwerk van eiwitten en suikers alleen bij bacteriën =
ideaal target voor AB.
o Fungeert als ondersteuning voor de cel en als bescherming
tegen indringers
o Permeabel voor water en opgeloste stoffen
o Verschil gram + en gram –
Gram-positief: bestaan uit meerdere ( tot 30 lagen)
peptidoglycaan
Gram-negatief: bestaat uit 1 laag peptiodoglycaan
Beide kunenn omgeven zijn door een kapsel:
- Kapsel/ glycocalyx
o Bestaat uit polysaccharidelaag en is eigen aan elke
bacteriesoort
o Beschermt bacterie tegen fagocytose en bevordert
aangechting aan weefsels vd gastheer.
,2 Infectiebeheersing
Flagellen = zweepdraad -> zorgt voor beweegbaarheid en kan antigenen
bevatten
Pili = eiwit piline -> zorgt voor aanhechting van bacterie aan gastheer
Multiplicatie
Multiplicatie van bacteriën gebeurt door binaire deling / splitsing, dwz
dat elke bacterie 2 nakomelingen heeft. Bij de splitsing van een bacterie
wordt het chromosoom gedupliceerd waarna een instulping vh
celmembraan de beide chromosomen van elkaar scheidt.
Groei van bacteriën
Wnr de concentraties levende bacteriën in tijd uitzet op een grafiek, wordt
een groeicurve verkregen. Deze curve vertoont in het algemeen een
aantal fasen:
- Lag fase (a) -> voorbereiding op groei en deling
- Versnelde groeifase (b) -> groeirtime versneld geleidelijk
o Logaritmische fase (b1) -> cellen nemen met een constante
toe
o Vertraagde groeifase (b2) -> deling verloopt langzamer
- Stationaire fase (c) -> even veel cellen gaan dood als aanmaak
ervan
- Afstervingsfase (d) -> aantal kiemen neemt logaritmisch af met de
tijd
Factoren die groei beïnvloeden
- Voedingstoffen: water, koolstof, fosfor, stikstof, zwavel, mineralen
en spoorelementen kweken voedingsbodem. Cultuur:
voedingsbodem met daarin groeiende bacteriën
- Ph/ zuurtegraad: MO leven liefst in Ph tussen 6-8
- Temperatuur: best 37°C
- Zuurstof: (nodig-> aëroob) (niet nodig -> anaëroob)
- Vocht: meestal nodig
Commensale bacteriën
= bacteriën die vreedzaam leven met de mens. Ook symbiose genoemd.
Zijn bacteriën dat permanent op de huid en slijmvliesoppervlak van
gezond mens aanwezig zijn groot belang voor het lichaam
Hoe maken ze iemand ziek?
Vasthechting
- Bacteriën hechten zich vast aan de cellen vd weefseloppervlakken.
, 3 Infectiebeheersing
- Eerste stap infecteus proces
- Bepaalde hebben specifieke oppervlaktemoleculen, andere dragen
pili waarmee ze zich vasthechten
- Bacteriën die zich makkelijker vasthechten zijn virulenter dan
andere
Toxinen:
- Zijn giftige stoffen afgescheiden door bacteriën.
o Exotoxinen tetanus, bolutisme & toxisch shock syndroom
o Endotoxinen minder specifieke pathofysiologische
verschijnselen: koorts, leukopenie, hypotensie of trombose
Enzymen
- Zorgen ervoor dat bacteriën zich makkelijker verspreiden id
weefsels of ze zich kunnen inkapselen en zo minder bereikbaar
zijn vh afweersysteem vd mens
Fagocytose verhinderen
- Sommige bacteriën hebben een kapsel of dragen op hun oppervlak
componenten die fagocytose verhinderen. Deze bacteriën zijn dus
virulenter dan andere en kunnen alleen vernietigd worden door
antistoffen
Antigene verschillen
- Uitwendig oppervlak vd bacterie is datgene waarmee het lichaam vd
gastheer in cc komt (fungeert als antigeen) & waartegen het lichaam
antistoffen maakt.
- Grote verscheidenheid in opp structuren vd bacterie voldoende
aafweer kan hebben tegen een bepaalde stam vn een bacteriesoort
maar niet tegen andere stammen omdaz andere antigenen op hun
opp hebben.
Pathogeen = ziekteverwekkend vermogen van een
vermogen kiem eens het de weerstandsbarrières
doorbroken heeft.
Virulentie = vermogen van een kiem om de
natuurlijke weerstadsbarrières vd gastheer
te doorbreken. De aanvalskracht van en MO
t.a.v een gastheer in bepaalde
omstandigheden. (hoe ziek wordk ervan)