Samenvatting Semester 1 Voeding en diëtetiek
- Sociale wetenschappen
- Elementaire sociale vaardigheden
- De schijf van vijf
- RIVM/Voedingscentrum
- Gezondheidsraad
- Motiverende gespreksvoering
- Understanding nutrition
- GVO-model
- ASE-model
- Etiketten
- Hygiënisch werken
- Zoetstoffen
- Decoderen en encoderen
, 2
Sociale wetenschappen
Psychologie een inleiding
2.2 Hoe is de interne communicatie van het lichaam geregeld?
Er zijn twee interne signaalsystemen:
1. Het snel reagerende Zenuwstelsel, het transporteert berichten in prikkels (alles wat
je zintuigen opmerken) van elektrische energie en chemische stoffen.
→ snel te hulp: het geleidt impulsen (de signalen die je lichaam of brein stuurt als reactie op
een prikkel. Ze zetten je aan tot handelen of voelen.) Waardoor spieren zich aanpassen voor
actie.
Het zenuwstelsel = gehele netwerk van neuronen
2. Hormoonstelsel is trager. stuurt via bloedbaan vervolg signalen. waardoor reactie
zenuwstelsel wordt ondersteund en in stand wordt gehouden.
De samenwerking wordt door hersenen aangestuurd.
Deze twee signalen zijn de biologische basis voor al onze emoties en gedragingen.
2.2.1 Het neuron: Bouwsteen van zenuwstelsel
Neuron: Cel, ook wel zenuwcel die gespecialiseerd is in het ontvangen en doorsturen van
informatie naar andere cellen. Een bundel van een groot aantal neuronen wordt Zenuw
genoemd.
Drie groepen neuronen:
1. Sensorisch neuron:
Geleiden alle signalen van zintuigen naar hersenen.
2. Motorisch neuron:
Signalen die vanuit de hersenen en ruggenmerg verstuurd worden naar spieren, organen en
klieren.
3. Schakelcellen:
Tussen station, verbinden sensorische en motorische zenuwcellen.
Neurotransmitter: Is een stofje dat signalen overdraagt tussen zenuwcellen, bv.
acetylcholine (spierbeweging) of dopamine.
Het zenuwstelsel maakt onderscheid in twee grote onderdelen.
1. Het centrale zenuwstelsel (CZS)
De hersenen en het ruggenmerg werkt als ‘hoofdkwartier’
2. Perifeer zenuwstelsel (PZS)
Verbindt CZS met de rest van het lichaam en het bestaat uit twee delen:
- Somatische zenuwstelsel:
Deel dat vrijwillige boodschappen naar de skeletspieren van het lichaam stuurt
, 3
Sensorische gedeelte: Verbindt zintuigen met CZS
Motorisch gedeelte: Maakt vrijwillige bewegingen mogelijk.
- Autonome zenuwstelsel:
Zelfstandig of onafhankelijk geheel, onbewust bv. ademhaling
Sympatische zenuwstelsel: Stimuleert in stressvolle situaties en noodsituaties: flight-or-fight
systeem.
Parasympatische zenuwstelsel: neutrale remmen, lichaam naar kalme toestand.
—------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk 3 Sensatie en perceptie
3.1.2 Sensorische adaptatie
Onze zintuigen zijn vooral gericht op verandering. Sensorische adaptatie wil zeggen dat
zintuigen steeds minder gevoelig worden voor een stimulus naarmate het langer aanhoudt.
Sensatie = onmiddellijke respons van onze zintuigen
Perceptie = Proces waarin deze prikkels geselecteerd worden, organiseren en interpreteren
Perceptie:
Adaptatie → Signaal dat prikkel tegenwerkt (bv. klok tikken)
Relatief → In vergelijking (bv. saaie of leuke film)
Selectief → niet alles is belangrijk
—------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk 5 Geheugen
5.1.2 de drie essentiële functies van het geheugen.
1. Coderen: Het omzetten van de informatie zodat het het beste in het
geheugensysteem past.
2. Opslaan: Langdurig bewaren van gecodeerd materiaal.
3. Terughalen: Het lokaliseren en weer terugbrengen van informatie uit het geheugen.
Het geheugen heeft drie stadia:
1. Sensorisch geheugen (zintuiglijk)
→ Sensorische indrukken → beelden, geluiden, geuren blijven slechts een paar seconden.
Geen betekenisvolle codering, alleen registratie.
Opslagcapaciteit = 12-16 items
2. Werkgeheugen - kortetermijngeheugen
- Betrokken bij controle van aandacht
- Kent betekenis toe aan informatie
- Legt verbanden tussen ideeën en gebeurtenissen
Codert informatie om het bruikbaar te maken voor langetermijngeheugen.
, 4
Er zijn twee manieren om opslagcapaciteit van werkgeheugen te omzeilen:
- Chunking: Proces waarbij informatie in georganiseerd wordt tot een kleiner
betekenisvolle eenheden (chunks).
Bv. 0112900994 → 011-2900-994 (= drie chunks)
- Repeteren en elaboratie
Repeteren: is de informatie steeds herhalen om te voorkomen dat het vervaagt.
Elaboratie: Is een proces waarbij informatie actief wordt verwerkt door die te verbinden met
kennis die al in langetermijn geheugen is opgeslagen.
3. Langetermijngeheugen
Ontvangt informatie uit werkgeheugen en bewaart dit voor langere tijd. Het slaat informatie
op in betekenisvolle mentale categorieën
Het heeft twee belangrijke afdelingen:
1. Procedureel geheugen
Opslag herinneringen over hoe dingen gedaan moeten worden (weten hoe). Ook wel
‘Motorisch geheugen’.
2. Declaratief geheugen
Ook wel ‘feiten geheugen’ (weten dat) genoemd. Opslag van feiten, indrukken en
gebeurtenissen. Dit heeft twee onderdelen:
- Episodisch geheugen = Persoonlijke informatie. Herinneringen oftewel episodes.
- Semantisch geheugen = Algemene kennis bv. betekenis woorden/concepten.
—------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Meervoudige systeembenadering
→ Betekent dat je gedrag en gezondheid niet vanuit één factor verklaart, maar uit meerdere
samenwerkende systemen
je kijkt dus naar:
- Individu, omgeving, maatschappij, etc…
- Gedachten, genetica, motivatie.
Biologisch → Medicatie
Psychologisch → Emotie-eten
Sociaal → bv. gezin dat…
11.1.1 Sociale gedragsnormen
Sociale rol = Sociaal gedefinieerd gedragspatroon dat mensen in een bepaalde situatie of
groep dient te vertonen.