Hogeschooltaal samenvatting van onderdelen
Werkwoordspelling
Is het werkwoord een Persoonsvorm? Ja? → Dan gebruik je het volgende:
• Tegenwoordige tijd
1. Ik vorm:
Ook wel de stam, als het onderwerp ik is, … je of een gebiedenderwijs,
gebruik je deze vormen.
2. Ik vorm + t:
Ook wel stam+t, als het onderwerp hij, zij, je …, een groep, er en dat … is (een
ander)
3. Hele werkwoord:
Dit schrijf je als het onderwep van de zin wij, jullie, zij (een meervoud) is
• Verledentijd
1. Ik vorm + te/de
Ook wel stam +te/ de, dit schrijf je als het onderwerp van de zin ik, hij (enkelvoud) is.
2. Ik vorm + ten/den
Dit schrijf je als het onderwerp van de zin wij, jullie, zij (meervoud) is
3. Klankverandering → sterk werkwoord
Schrijf je zoals je het hoort: loop – liepen, vechten- vochten, gaf- gaven
Is het werkwoord een Persoonsvorm? Nee? → Dan gebruik je het volgende:
1. Voltooi deelwoord → ge-, be-, ver-
Deze schrijf je met -en, -d, of -t. Hoe kom je er achter?
- Hele werkwoord
- Laatste letter in T kofschip x? Ja? Dan + t
- Nee? Dan + d
2. Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
Deze schrijf je altijd zo kort mogelijk! Eindigt het voltooi deelwoord op -en? Dan schrijf je
het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord ook → de gebraden kip, want braden en niet
brade.
Eindigt het voltooideelwoord op een -t of -d? Dan het bijvoeglijk gebruikt voltooid
deelwoord op -e
3. Hele werkwoord
Het infinitief (hele werkwoord) schrijf je zoals je het hoort.
, Overige spelling
Meervouden
1. Meervoud op -s
- De -s schrijf je eraan vast als dat geen probleem voor de uitspraak oplevert. →
Kamers, bureaus
- Als een woord eindigt op een -e komt de -s er gewoon achter → logeés, asperges,
kanaries
2. Meervoud op ‘s
De ’s schrijf je op uitspraak problemen te voorkomen (als je een fout bij de uitspraak kan
maken)
- Bij afkortingen → Vbo’s, wc’s
- Bij woorden die eindigen op: Ik hOU vAn Y’s →i,o,u,a,y → bikini’s, auto’s, accu’s,
lama’s en jury’s
3. Meervoud op -en
Schrijf -en aan het woord vast: stoel – stoelen.
Let op: Klinkerweglating: leraar – leraren → aa, dus 1 weg
Medeklinkerverdubbeling: rok – rokken → o, dus 1 bij
4. Meervoudswoorden op -ik
Meervoudswoorden die eindigen op -ik kan je op 2 manieren schrijven
- Je schrijft 2 K’s als de klemtoon op ik valt → snikken, likken, tikken
- Je schrijft 1 K als de klemtoon niet op ik valt → monniken, leeuweriken
5. Meervoudswoorden op -ie of -eë
- Woorden die op -ie of -ee krijgen soms een -s (kanaries, directies) maar in andere
gevallen een -n of -en
- Voor meervoud op -n en -ën is de regel:
-je schrijft ën erbij als de klemtoon op de ie of een valt → feeën, reeën, genieën
-je schrijft -n erbij + trema als de klemtoon er niet op valt → bacteriën, oliën, poriën
6. Meervoudswoorden op -f of -s
- In het meervoud wodt de F meestal een V → kloof – kloven, staaf – staven
- En de S vaak een Z → laars – laarzen, kluis - kluizen
7. Meervoud op -s en -en
- Heel wat woorden hebben twee meervoudsvormen
- Vreemde meervoudsvormen → oorspronkelijk Latijnse woorden → basis – bases,
museum – musea of museums, datum – data
Hoofdletters
Wanneer gebruik je een hoofdletter?
- Begin van de zin → Hallo, ik ben. ‘K heb niks
- Personen → Jan, Marie, de heer De Vries
- Plaatsen & geografie → De maas, Europa
- Talen & natuurgebieden
Werkwoordspelling
Is het werkwoord een Persoonsvorm? Ja? → Dan gebruik je het volgende:
• Tegenwoordige tijd
1. Ik vorm:
Ook wel de stam, als het onderwerp ik is, … je of een gebiedenderwijs,
gebruik je deze vormen.
2. Ik vorm + t:
Ook wel stam+t, als het onderwerp hij, zij, je …, een groep, er en dat … is (een
ander)
3. Hele werkwoord:
Dit schrijf je als het onderwep van de zin wij, jullie, zij (een meervoud) is
• Verledentijd
1. Ik vorm + te/de
Ook wel stam +te/ de, dit schrijf je als het onderwerp van de zin ik, hij (enkelvoud) is.
2. Ik vorm + ten/den
Dit schrijf je als het onderwerp van de zin wij, jullie, zij (meervoud) is
3. Klankverandering → sterk werkwoord
Schrijf je zoals je het hoort: loop – liepen, vechten- vochten, gaf- gaven
Is het werkwoord een Persoonsvorm? Nee? → Dan gebruik je het volgende:
1. Voltooi deelwoord → ge-, be-, ver-
Deze schrijf je met -en, -d, of -t. Hoe kom je er achter?
- Hele werkwoord
- Laatste letter in T kofschip x? Ja? Dan + t
- Nee? Dan + d
2. Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
Deze schrijf je altijd zo kort mogelijk! Eindigt het voltooi deelwoord op -en? Dan schrijf je
het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord ook → de gebraden kip, want braden en niet
brade.
Eindigt het voltooideelwoord op een -t of -d? Dan het bijvoeglijk gebruikt voltooid
deelwoord op -e
3. Hele werkwoord
Het infinitief (hele werkwoord) schrijf je zoals je het hoort.
, Overige spelling
Meervouden
1. Meervoud op -s
- De -s schrijf je eraan vast als dat geen probleem voor de uitspraak oplevert. →
Kamers, bureaus
- Als een woord eindigt op een -e komt de -s er gewoon achter → logeés, asperges,
kanaries
2. Meervoud op ‘s
De ’s schrijf je op uitspraak problemen te voorkomen (als je een fout bij de uitspraak kan
maken)
- Bij afkortingen → Vbo’s, wc’s
- Bij woorden die eindigen op: Ik hOU vAn Y’s →i,o,u,a,y → bikini’s, auto’s, accu’s,
lama’s en jury’s
3. Meervoud op -en
Schrijf -en aan het woord vast: stoel – stoelen.
Let op: Klinkerweglating: leraar – leraren → aa, dus 1 weg
Medeklinkerverdubbeling: rok – rokken → o, dus 1 bij
4. Meervoudswoorden op -ik
Meervoudswoorden die eindigen op -ik kan je op 2 manieren schrijven
- Je schrijft 2 K’s als de klemtoon op ik valt → snikken, likken, tikken
- Je schrijft 1 K als de klemtoon niet op ik valt → monniken, leeuweriken
5. Meervoudswoorden op -ie of -eë
- Woorden die op -ie of -ee krijgen soms een -s (kanaries, directies) maar in andere
gevallen een -n of -en
- Voor meervoud op -n en -ën is de regel:
-je schrijft ën erbij als de klemtoon op de ie of een valt → feeën, reeën, genieën
-je schrijft -n erbij + trema als de klemtoon er niet op valt → bacteriën, oliën, poriën
6. Meervoudswoorden op -f of -s
- In het meervoud wodt de F meestal een V → kloof – kloven, staaf – staven
- En de S vaak een Z → laars – laarzen, kluis - kluizen
7. Meervoud op -s en -en
- Heel wat woorden hebben twee meervoudsvormen
- Vreemde meervoudsvormen → oorspronkelijk Latijnse woorden → basis – bases,
museum – musea of museums, datum – data
Hoofdletters
Wanneer gebruik je een hoofdletter?
- Begin van de zin → Hallo, ik ben. ‘K heb niks
- Personen → Jan, Marie, de heer De Vries
- Plaatsen & geografie → De maas, Europa
- Talen & natuurgebieden