Belangrijkste wet per rechtsgebied:
- Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht (Awb)
- Strafrecht Wetboek van strafrecht (materieel)
- Privaatrecht Burgerlijk wetboek (materieel)
- Europees recht Verdrag betreffende de Europese Unie
- Burgerlijk procesrecht Burgerlijke rechtsvordering
Objectief recht: geheel van rechtsregels en normen door de wetgeving, wettelijke bewoording van
wetten. Iedereen moet zich eraan houden, positief recht
Subjectief recht: individueel recht, individueel persoon die recht heeft op iets (bijv. recht op salaris,
dit ontleen je aan het objectief recht)
Materieel recht: inhoud van rechten
formeel recht: Procedure van de rechten (procesrecht). Hoe wordt de recht gehandhaafd?
Publiekrecht: (burgers en overheid)
- Staatsrecht (grondwet) (besturing van het land)
- Bestuursrecht (algemene wet bestuursrecht) (vergunningen, uitkeringen etc.)
- Strafrecht (wetboek van strafrecht) (regels voor handhaving in wetboek van strafvordering)
- Volkenrecht (Verenigde Naties) (verdagen onderling voor reizigers)
Privaatrecht: (burgers onderling) ook wel civiele recht of burgerlijk recht
- Personen- en familierecht (erfrecht) (BW 1)
- Rechtspersonenrecht (bv en nv) (ondernemingsrecht) (BW 2)
- Vermogensrecht (aansprakelijkheidsrecht) (BW 3, 5 en 6)
Vooral in Burgerlijk Wetboek (BW)
Volkenrecht = internationaal recht (Verdrag van de Europese Unie)
Nationaal recht = individuele landen
Rechtsbron = bron van het recht
- De wet
- De gewoonte (afgedwongen bij de rechter)
- Verdragen (afspraken staten onderling)
- Besluiten van volkenrechtelijke organisatie (Verenigde Naties)
- Jurisprudentie (rechters recht, rechters leggen recht uit)
Wet in formele zin: de rechtsregel is opgesteld door de regering en de Staten Generaal
Wet in materiele zin: in de rechtsregel zijn rechten en plichten voor burgers zijn opgenomen (puur op
inhoud). Dit zijn wetten van de Provinciale Staten of de gemeente. Richten zich op onbepaald aantal
mensen.
Rechtsregels komen van de normen die we voor waarden hebben gesteld.
Gedragsregels (normen) komen niet voort uit een rechtsbron.
,Functies van het recht:
- Normatieve functie: gedragsregels (normen) die zijn vastgesteld in de wet
- Geschiloplossende functie: hoe wordt iemand gestraft en welke procedure moet daarvoor
gevolgd worden
- Additionele functie: zonder afspraken geeft het recht aan welke regel geldt
- Instrumentele functie
Wetgever op centraal niveau: de regering en de Staten-Generaal (1 e en 2e kamer)
Decentrale wetgevers: provincies (Provinciale Staten) en gemeenten (gemeenteraad)
Rangorde tussen wetgevende organen:
- Hogere regels gaan boven lagere regels
- Bijzondere regels gaan boven algemene regels
- Jongere regels gaan boven oudere regels
Van dwingend recht mogen burgers niet afwijken en van aanvullend recht je altijd afwijken. Een
voorwaarde voor het aanvullend recht is dat beide partijen met deze afwijking akkoord moeten gaan.
, WEEK 2: hoofdstuk 9
3 kenmerken van een staat:
1. De aanwezigheid van een volksgemeenschap (groep mensen dat bij elkaar hoort)
2. De volksgemeenschap bevindt zich op een afgegrensd grondgebied.
3. Binnen deze volksgemeenschap is er één orgaan dat de hoogste macht heeft
Trias politica:
1. De wetgevende macht = regering/Staten-Generaal (art. 81 GW)
2. De uitvoerende macht = regering
3. De rechterlijke macht = onafhankelijke rechters
Deze drie machten moeten elkaar controleren.
Territoriale spreiding (decentralisatie) = de lagere overheidsorganen (gemeenten en provincies)
krijgen ook bevoegdheden.
Functionele spreiding (decentralisatie) = productschap en bedrijfschap
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dat betekend dat centrale overheid altijd
bevoegdheden van de lagere overheden kan overnemen. Ook oefenen hogere overheden controle
uit op de lagere overheden (gemeenten kunnen geen belastingen heffen)
Staten-Generaal = Eerste en Tweede kamer = het parlement
Actief kiesrecht = de mogelijkheid om op anderen te stemmen.
Passief kiesrecht = de mogelijkheid om zelf gekozen te worden.
Districtenstelsel = kandidaten worden per district gekozen. Er kan in elk district gestemd worden en
de winnaar van elk district gaat naar het parlement.
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging = de kandidaten worden landelijk gekozen. Men gaat uit
van een kiesdeler.
De leden van de Eerste Kamer worden niet rechtstreeks door de burgers gekozen. De burgers kiezen
per provincie de leden van de Provinciale Staten en de Provinciale Staten kiezen dan de leden van de
Eerste Kamer.
De regering bestaat uit de koning en de ministers
Het kabinet (ministerraad in grondwet) bestaat uit de ministers en de staatssecretarissen (onder
aanvoering van de minister-president)
Ministerraad (alle ministers tezamen) is verantwoordelijk voor het gehele beleid.
Staatssecretarissen zijn de onder ministers
Het koningschap is in Nederland slechts een symbolische functie.
Demissionair kabinet = het kabinet dat blijft zitten tot er een nieuw kabinet is samengesteld en mag
zich alleen richten op de nog lopende zaken.Na de verkiezingen wordt er een formateur benoemd als
er duidelijk is welke partijen gaan samenwerken. Anders komt er eerst een informateur. Een
verkenner kijkt welke partijen zouden kunnen gaan samenwerken. Als laatst wordt er een
regeerakkoord geschreven.
Oppositie = partijen die het nieuwe kabinet niet steunen