Spreiding der machten van Montesquieu (trias politica):
Wetgevende macht -> regering/Staten-Generaal (art. 81 GW)
Uitvoerende macht -> regering
Rechterlijke macht -> onafhankelijke rechters
Regering = koning en ministers
Staten-Generaal = Eerste en Tweede Kamer = het parlement
Deze machten moeten elkaar controleren
Territoriale spreiding (decentralisatie) = een onbepaald aantal bevoegdheden worden aan lagere
overheidsorganen toegekend zoals gemeenten en provincies.
Functionele spreiding (decentralisatie) = aan openbare lichamen zijn specifieke bevoegdheden
gegeven om een bepaald doel te realiseren zoals bedrijfslichamen.
Waterschappen zijn een combinatie van territoriale en functionele spreiding
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dat betekend dat centrale overheid altijd
bevoegdheden van de lagere overheden kan overnemen. Ook oefenen hogere overheden controle
uit op de lagere overheden (gemeenten kunnen geen belastingen heffen). Elk besluit van de
gemeente of provincie kan door de regering worden vernietigd of ongedaan worden gemaakt.
Provincie -> art. 6 ProvW
Gemeente -> art. 6 GemW
Waterschappen -> art. 10 WW
Wetgevende macht -> Provinciale Staten vaardigt wetten (verordeningen) uit.
Bestuurlijke macht -> Provinciale Staten heeft bestuur in handen behalve voor zover bestuursmacht
aan een ander orgaan is toegekend zoals GS of CvK.
Bij sociale grondrechten gaat het om een actieve overheid (het recht op rechtsbijstand en sociale
zekerheid) = moeilijk afdwingbaar (burger kan zich er niet op beroepen)
Bij klassieke grondrechten gaat het om staatsonthouding (de overheid mag niet optreden). Ze
beschermen ons tegen te veel bemoeienis van de overheid. De overheid moet daarvoor zorgen.
(burger kan zich er wel op beroepen)
Een burger kan zich normaal gesproken wél op klassieke grondrechten maar niet sociale
grondrechten beroepen bij de Nederlandse rechter.
Verdrag = een overeenkomst gesloten tussen twee of meer staten
Bilateraal = geldend tussen twee staten
Multilateraal = geldend tussen meer dan twee staten
Instructie norm richt zich tot de overheid en schrijft deze voor, dat de inhoud van de
verdragsbepaling binnen een bepaalde tijd in een nationale wet moet zijn opgenomen. De burger kan
hier geen rechten aan ontlenen.
Normen met directe werking, een verdragsbepaling heeft dan een directe werking als deze zich
rechtstreeks tot de burgers richt. Een burger kan zich hier rechtstreeks op beroepen. (art. 93 GW)
, Hiërarchie van regelgeving (gelede normstelling):
1. Verdragsbepaling (deze dient een directe werking te hebben, dus tot de burger gericht zijn)
2. Grondwet
3. Wetten in formele zin (regering en Staten-Generaal)
4. Algemene Maatregelen van Bestuur (regering)
5. Ministeriële regelingen (minister)
6. Provinciale verordeningen
7. Gemeentelijke verordeningen/waterschapsverordening of plan
Rechter mag niet beoordelen of een verdrag in strijd is met de Grondwet en hij mag ook niet
beoordelen of een wet in formele zin in overeenstemming is met de Grondwet (art. 120 GW).
De rechter mag wel beoordelen of de Grondwet in strijd is met een verdrag, dan moet er wel
duidelijk zijn of het gaan om een norm met directe werking.
Gelede normstelling = dat de toepasselijkheid van een rechtsregel niet zomaar in de wet te vinden is,
maar in een combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
Wet in formele zin = aangenomen door regering EN Staten-Generaal
Wet in materiële zin = alle wetten met een algemeen verbindend voorschrift
Alleen organen met een regelgevende bevoegdheid kunnen wetten uitvaardigen
Legaliteitsbeginsel = het openbaar bestuur mag alleen als openbaar bestuur optreden als dit is
vastgelegd in de wet
Specialiteitsbeginsel = het openbaar bestuur mag alleen de belangen afwegen waarop die wet of
regeling zich richt
DUS voor het optreden van het openbaar bestuur is een grondslag in de wet nodig
(legaliteitsbeginsel) en bij het afwegen van de belangen moet het openbaar bestuur binnen het kader
blijven van de toepasselijke wet (specialiteitsbeginsel)
Europese verordeningen hebben een rechtstreekse werking, alle opgenomen regels zijn rechtstreeks
in Nederland van toepassing -> Elke Nederlandse burger kan zich er direct op beroepen.
Europese richtlijnen hebben in beginsel geen rechtstreekse werking
Beleidsregels zijn eigen richtlijnen voor het openbaar bestuur en gelden alleen voor het orgaan van
het openbaarbestuur dat ze heeft vastgesteld of waarvoor ze zijn bedoeld
Vergunning voorschriften zijn normen die gelden in het individuele geval, namelijk voor degene aan
wie de vergunning is verleend.
Wetten in het bijzonder bestuursrecht gaan voor wetten in het algemeen bestuursrecht