Studievragen werkcollege 1
Vragen bij: Mackenbach, J.P. (2020). A history of population health. Rise and fall
of disease in Europe, pp. 25-48. Brill: Leiden.
1. Wat is volgens Mackenbach de belangrijkste
langetermijnontwikkeling in de Europese volksgezondheid sinds de 18e
eeuw. Waarom was dit geen lineaire ontwikkeling?
De belangrijkste langetermijnontwikkeling in de Europese volksgezondheid sinds
de 18e eeuw is de sterke toename van de levensverwachting door dalende
sterfte. Deze ontwikkeling was echter niet lineair, omdat zij herhaaldelijk werd
onderbroken door epidemieën, oorlogen, sociale en economische crises en
nieuwe gezondheidsrisico’s die samenhingen met modernisering en
industrialisatie. Daarnaast werd gezondheidswinst niet eerlijk verdeeld over
landen, regio’s en sociale klassen
Vrijwel iedere sociale groep heeft geprofiteerd van veranderingen in
gezondheidsbeleid, maar dit varieerde door onder andere sociaaleconomische
status. Daarnaast ontstonden door de industrialisatie en verstedelijking nieuwe
risico’s in woon en werkomgeving, maar ook in het ontstaan van chronische
ziekten. Dit heeft impact op de sterftecijfers.
2. Hoe verschillen historisch gezien de snelheid van de sterftedaling
tussen kinderen en ouderen?
De kinder- en zuigelingensterfte daalde al vrij snel in het begin, bij ouderen ging
dit langzamer en later.
De snelle daling bij kinderen vanaf de 18e en 19e eeuw kwam door eenvoudige en
collectieve maatregelen, omdat de doodsoorzaak van kinderen vooral
infectieziekten waren. Voorbeelden: hygiënische verbeteringen, voeding,
vaccinatie en moeder- en kind zorg.
De sterfte onder ouderen daalt langzamer en later omdat ouderen vaker sterven
aan andere dingen dan infectieziekten, zoals chronische of degeneratieve
ziekten. Een oplossing voor deze ziekten kwam pas veel later door medische
technologie en preventie. Deze ziekten konden dus pas later in de tijd kunnen
worden bestreden, waardoor de daling van sterftecijfers langer op zich moest
laten wachten.
3. Hoe zijn de sociaaleconomische verschillen in gezondheid binnen
Europese landen sinds de late 19e eeuw veranderd? Welke oorzaken
geeft Mackenbach voor het toenemen van deze verschillen?
In de laat 19e eeuw daalde de absolute sterfte overal, maar relatieve verschillen
tussen groepen werden hoger of bleven bestaan. Door verbeteringen in flexibele
middelen tegen ziekte nam de kindersterfte af in de 20 e eeuw, en stierven meer
mensen bij lagere sociaaleconomische groepen. Mensen van hoge
sociaaleconomische klassen kunnen de flexibele middelen gebruiken om de
sterfte van kinderen en zuigelingen naar beneden te brengen, want zodra we de
, oorzaken en oplossingen van hoge sterfte vinden wordt sociaaleconomische
klasse pas echt belangrijk.
Oorzaken van het toenemen van gezondheidsverschillen:
- Ongelijke verspreiding van gezondheidsinnovaties, hogere groepen kregen
eerder toegang
- Verschil in leef-en werkomstandigheden, welke langdurig bleven bestaan
- Leefstijlverschillen; gezondheidsrisico’s verspreidde zich sociaal gelaagd:
hogere groepen pasten hun gedrag eerder aan toen de risico’s bekend
waren.
- Verschillen in kennis, vaardigheden en controle; hogere groepen hadden
meer kennis, vaardigheden en controle over leefomstandigheden
- Beperkte effectiviteit van gezondheidsbeleid; gezondheidsmaatregelen
verlaagden het gemiddelde risico, maar sommige interventies werden
vooral gebruikt door hoge groepen
4. Wat laat de ontwikkeling van gemiddelde lichaamslengte sinds de
19e eeuw zien over de relatie tussen voeding, ziekte en
levensverwachting?
De langere lengte sinds de 19e eeuw is het gevolg toont een betere
voedingskwaliteit en -toegankelijkheid, minder ziektes die de groei laten
stagneren omdat ze veel energie kosten, en verbeterde leefomstandigheden.
Lengte kan dus ook gezien worden als een graadmeter van leefomstandigheden
van de jeugd. Een gezondere jeugd- dus een langere lengte- hangt samen met
lagere sterftecijfers op jonge leeftijd en een hogere levensverwachting op latere
leeftijd. Omdat in vrijwel alle Europese landen de lengte toenam sinds de 19 e
eeuw, daalde in dezelfde periode de kindersterfte daar ook en nam daar de
levensverwachting toe.
1. Welke drie grote verschuivende patronen in ziekten en sterfte
beschrijft Mackenbach?
Een verschuiving in doodsoorzaak; van infectieuze- en longziekten -> naar
cardiovasculair, kanker en ongelukken.
Een verschuiving in de gevolgen van ziekte op de maatschappij; minder
mensen sterven vroeg, maar meer mensen leven langdurig met ziekte. Snelle,
vaak dodelijke ziekten -> mensen leven langer met chronische aandoeningen.
Een verschuiving in het ‘rise and fall’ patroon van ziekte: ziektes nemen
niet gelijktijdig, even snel en om dezelfde reden toe. De populatiegezondheid is
hierbij een opeenvolging van verschuivende ziekteprofielen.
Vragen bij: Mackenbach, J.P. (2020). A history of population health. Rise and fall
of disease in Europe, pp. 25-48. Brill: Leiden.
1. Wat is volgens Mackenbach de belangrijkste
langetermijnontwikkeling in de Europese volksgezondheid sinds de 18e
eeuw. Waarom was dit geen lineaire ontwikkeling?
De belangrijkste langetermijnontwikkeling in de Europese volksgezondheid sinds
de 18e eeuw is de sterke toename van de levensverwachting door dalende
sterfte. Deze ontwikkeling was echter niet lineair, omdat zij herhaaldelijk werd
onderbroken door epidemieën, oorlogen, sociale en economische crises en
nieuwe gezondheidsrisico’s die samenhingen met modernisering en
industrialisatie. Daarnaast werd gezondheidswinst niet eerlijk verdeeld over
landen, regio’s en sociale klassen
Vrijwel iedere sociale groep heeft geprofiteerd van veranderingen in
gezondheidsbeleid, maar dit varieerde door onder andere sociaaleconomische
status. Daarnaast ontstonden door de industrialisatie en verstedelijking nieuwe
risico’s in woon en werkomgeving, maar ook in het ontstaan van chronische
ziekten. Dit heeft impact op de sterftecijfers.
2. Hoe verschillen historisch gezien de snelheid van de sterftedaling
tussen kinderen en ouderen?
De kinder- en zuigelingensterfte daalde al vrij snel in het begin, bij ouderen ging
dit langzamer en later.
De snelle daling bij kinderen vanaf de 18e en 19e eeuw kwam door eenvoudige en
collectieve maatregelen, omdat de doodsoorzaak van kinderen vooral
infectieziekten waren. Voorbeelden: hygiënische verbeteringen, voeding,
vaccinatie en moeder- en kind zorg.
De sterfte onder ouderen daalt langzamer en later omdat ouderen vaker sterven
aan andere dingen dan infectieziekten, zoals chronische of degeneratieve
ziekten. Een oplossing voor deze ziekten kwam pas veel later door medische
technologie en preventie. Deze ziekten konden dus pas later in de tijd kunnen
worden bestreden, waardoor de daling van sterftecijfers langer op zich moest
laten wachten.
3. Hoe zijn de sociaaleconomische verschillen in gezondheid binnen
Europese landen sinds de late 19e eeuw veranderd? Welke oorzaken
geeft Mackenbach voor het toenemen van deze verschillen?
In de laat 19e eeuw daalde de absolute sterfte overal, maar relatieve verschillen
tussen groepen werden hoger of bleven bestaan. Door verbeteringen in flexibele
middelen tegen ziekte nam de kindersterfte af in de 20 e eeuw, en stierven meer
mensen bij lagere sociaaleconomische groepen. Mensen van hoge
sociaaleconomische klassen kunnen de flexibele middelen gebruiken om de
sterfte van kinderen en zuigelingen naar beneden te brengen, want zodra we de
, oorzaken en oplossingen van hoge sterfte vinden wordt sociaaleconomische
klasse pas echt belangrijk.
Oorzaken van het toenemen van gezondheidsverschillen:
- Ongelijke verspreiding van gezondheidsinnovaties, hogere groepen kregen
eerder toegang
- Verschil in leef-en werkomstandigheden, welke langdurig bleven bestaan
- Leefstijlverschillen; gezondheidsrisico’s verspreidde zich sociaal gelaagd:
hogere groepen pasten hun gedrag eerder aan toen de risico’s bekend
waren.
- Verschillen in kennis, vaardigheden en controle; hogere groepen hadden
meer kennis, vaardigheden en controle over leefomstandigheden
- Beperkte effectiviteit van gezondheidsbeleid; gezondheidsmaatregelen
verlaagden het gemiddelde risico, maar sommige interventies werden
vooral gebruikt door hoge groepen
4. Wat laat de ontwikkeling van gemiddelde lichaamslengte sinds de
19e eeuw zien over de relatie tussen voeding, ziekte en
levensverwachting?
De langere lengte sinds de 19e eeuw is het gevolg toont een betere
voedingskwaliteit en -toegankelijkheid, minder ziektes die de groei laten
stagneren omdat ze veel energie kosten, en verbeterde leefomstandigheden.
Lengte kan dus ook gezien worden als een graadmeter van leefomstandigheden
van de jeugd. Een gezondere jeugd- dus een langere lengte- hangt samen met
lagere sterftecijfers op jonge leeftijd en een hogere levensverwachting op latere
leeftijd. Omdat in vrijwel alle Europese landen de lengte toenam sinds de 19 e
eeuw, daalde in dezelfde periode de kindersterfte daar ook en nam daar de
levensverwachting toe.
1. Welke drie grote verschuivende patronen in ziekten en sterfte
beschrijft Mackenbach?
Een verschuiving in doodsoorzaak; van infectieuze- en longziekten -> naar
cardiovasculair, kanker en ongelukken.
Een verschuiving in de gevolgen van ziekte op de maatschappij; minder
mensen sterven vroeg, maar meer mensen leven langdurig met ziekte. Snelle,
vaak dodelijke ziekten -> mensen leven langer met chronische aandoeningen.
Een verschuiving in het ‘rise and fall’ patroon van ziekte: ziektes nemen
niet gelijktijdig, even snel en om dezelfde reden toe. De populatiegezondheid is
hierbij een opeenvolging van verschuivende ziekteprofielen.