Natuurkunde (gassen en dampen)
1. In een tabellenboekje staat dat lucht van 4°C (bij een bepaalde luchtdruk) maximaal 5,0 gr/ kg
waterdamp kan bevatten. Welke luchtvochtigheid (RV) heeft mist?
● 50%
● 60%
● 90%
● 100%
2. Hoeveel graden celsius is het absolute nulpunt?
● -273 C
● 273 C
● 0C
● -198 C
3. In een operatiekamer hangt een kaart met daarop MAC-waarden van stoffen. Op die kaart zie
je voor ammoniak een aantal aanduidingen:
Stofnaam: Ammoniak
MAC-TGG-8 uur (ppm): 20
MAC-TGG-15 uur (ppm): 36
Wat betekent MAC-TGG-8 uur?
● Dat je na 8 uur ‘s ochtends in maximaal 20 ppm ammoniak mag werken gedurende je
hele arbeidsleven.
● Dat je gedurende je hele arbeidsleven 8 uur lang met maximaal 20 ppm ammoniak mag
werken.
● Dat je tot 20 uur ‘s avonds elke werkdag van 8 uur lang met ammoniak mag werken
gedurende je hele arbeidsleven.
● Dat je maximaal 20 ppm ammoniak mag werken elke werkdag van 8 uur gedurende je
hele arbeidsleven.
4. Bereken met de Algemene Gaswet de druk in Bar die wordt uitgeoefend door 2,00 mol
argongas met een volume van 10 Liter en een temperatuur van 28 C. Let op de eenheden!
● 0,5 bar
● 5,0 bar
● 500 bar
● 500000 bar
5. Een gascilinder heeft een volume van 30 Liter en de manometer geeft 60 bar druk in de
cilinder aan. De cilinder bevat O2-gas en dat stroomt uit met een flow van 3 Liter/minuut. De
druk van de buitenlucht is 1000 mb. Wat geeft de manometer aan als er precies 1 uur O2 is
geleverd bij 3 L/ min?
● 6 bar
, ● 24 bar
● 36 bar
● 54 bar
6. In een tabellenboekje staat dat lucht van 12°C (bij een bepaalde luchtdruk) maximaal 10
gr/m3 waterdamp kan bevatten. Bij welke luchtvochtigheid (RV) is lucht verzadigd met
waterdamp?
● 100%
● 90%
● 10%
● 0%
7. In de uitgeademde lucht van een patiënt wordt een pCO2 gemeten van 30,0 mmHg. De
buitenluchtdruk is 976 mbar. Hoeveel procent CO2 (afgerond) bevat de uitgeademde lucht?
● 3,0%
● 3,5%
● 4,1%
● 4,6%
8. De mate waarin zuurstofgas oplost in water is afhankelijk van de partiële zuurstofdruk, de
temperatuur van het water en zuiverheid van het water. Hieronder staan vier watersituaties
beschreven. Geef aan in welke situatie zuurstofgas het best oplost.
● In schoon water van 20 C
● In vervuild water van 30 C
● In schoon water van 30 C
● In vervuild water van 20 C
Pathologie
9. Een patiënt heeft door een bamboo-spine een verhoogd risico op (cervicale) dwarslesie.
Kwetsbare nek door verstijving van de wervelkolom past bij _____.
● Ziekte van Bechterew
● Acuut reuma (streptococcenreactie)
● Atherosclerose
● Artritis urica (jicht)
● Artrosis deformans (artrose)
10. Bij chemokuren krijgen vaak patiënten vaak allopurinol en een ruim vochtbeleid (flinke)
infusie ter voorkoming van _______.
● Trombocytopenie
● Jicht
● Anemie
● Reumatoïde artritis
,11. Waardoor is het zo moeilijk vaccins tegen Human Immunodeficiency Virus (hiv) te
ontwikkelen?
● Hiv schakelt T suppressors uit
● Hiv muteert continu
● Hiv bevat transcriptase
● Hiv bevat DNA
12. Waaruit bestaat in Nederland de profylaxe tegen een bloedoverdraagbare vorm van
hepatitis?
● Vaccinatie met geïnactiveerde Hbs antigeen
● Vaccinatie met hepatitis C antigenen
● Vaccinatie met anti-hepatitis C immunoglobulinen
● Vaccinatie met anti-hepatitis B immunoglobulinen
13. Men spreekt van secundaire artrose als deze veroorzaakt wordt door ________.
● Onbekende oorzaak/ideopatisch
● Hyperparathyreoïdie
● Gewichtstrauma’s
● Prednisongebruik
14. In welke arterie komt het vaakst atherosclerose/ischemie voor?
● a. mesenterica superior
● a. mesenterica inferior
● Truncus coeliacus
● a. mesenterica media
15. Bloeddonoren met veel (betaalde) onbeschermde seksuele contacten worden afgewezen,
omdat _______.
● Er geen sensitieve test is om hiv-antistoffen aan te tonen
● Hun bloedproducten chlamydia en gonococcen bevatten
● Hiv-besmetting pas weken later is aan te tonen
● Het wordt bewaard voor wanneer ze zelf aids krijgen
16. Welke factor heeft het meeste invloed op de systolische bloeddruk?
● Veneuze vaatweerstand
● Stijging van de capillair druk
● Hartfrequentie
● Slagvolume
, 17. Een patiënt, bekend met angina pectoris en hoge bloeddruk, slikt diverse antihypertensiva.
Hij klaagt over moeheid bij inspanning, gebrek aan enthousiasme en impotentie. Deze
ongewenste effecten passen het beste bij ________.
● Losartan
● Hydrochloorthiazide
● Metoprolol
● Lisinopril
18. Voor welk vaatonderzoek is het van belang te vragen naar allergie voor jodiumverbindingen?
● Angiografie
● Inspannings-ECG
● LDL-cholesterol-bepaling
19. Wat is de meest gebruikelijke therapie voor darmischemie/necrotische darm?
● Resectie van necrotisch darmdeel
● Mesenteriale revascularisatie
● Conservatief ileus beleid
● Embolectomie
20. Welke aandoening komt vaker voor bij mensen met obesitas in vergelijking met mensen met
een normale BMI?
● Verhoogd HDL-cholesterol
● Obstructieve slaapapneu/OSAS
● Diabetes mellitus type 1
● Hyperthyreoïdie
21. Welke maligniteit ontstaat vrijwel alleen bij aids en is te herkennen aan donkere
onregelmatige huidvlekken? (aidskanker)
● Kaposi-sarcoom
● Melanoom
● Cervix-carcinoom
● Non-Hodgkin lymfoom
22. Wat merken mensen van een kransslagadervernauwing van 45-50%
● Pijn op de borst bij inspanning
● Dyspnoeklachten
● Niet zoveel
● Vooral duizeligheidsklachten