Essay angstbehandeling UU
Aanleiding en probleemstelling
In het Zorgpad Angststoornissen (herziene versie november 2014) wordt
angst gedefinieerd als de subjectieve ervaring van een dreiging waar men
weinig of geen controle over heeft. Er is sprake van een angststoornis, als
de angst het dagelijks leven van een persoon belemmert en die persoon
eraan lijdt. Jaarlijks heeft 10,1% van de Nederlanders tussen de 18 en 24
jaar last van angstklachten en maar liefst 19,6% van de Nederlanders
heeft ooit een angststoornis gehad. Er bestaan verschillende soorten
angststoornis en ook worden verschillende interventies toegepast om de
stoornis te verhelpen. Een veelgebruikte psychologische behandeling
betreft cognitieve gedragstherapie (CGT). Dit essay gaat specifiek over het
gebruik van CGT bij ouderen (gedefinieerd als mensen ouder dan 65) met
een gegeneraliseerde angststoornis (GAS).
Hendriks et al. (2021) stellen vast dat ouderen net zo vaak
angststoornissen hebben als jongere mensen, maar een twee- tot viermaal
groter risico hebben om daar niet voor behandeld te worden. Dit komt
deels doordat angststoornissen bij ouderen minder goed herkend worden
en door stereotiepe vooroordelen over ouderen, maar ook doordat er bij
gebrek aan onderzoek weinig bewijs is voor de effectiviteit van CGT in
deze leeftijdsgroep. De vraag is in hoeverre het ondanks dit toch aan te
bevelen is om ouderen met GAS met CGT te behandelen.
Werkzaamheid van CGT bij ouderen met een angststoornis
Volgens Hendriks et al. (2021) leiden de weinige studies waarin de
effectiviteit van CGT bij ouderen onderzocht is tot verschillende conclusies:
Laidlow (2017) bijvoorbeeld ziet een effect van 0,55 bij de toepassing van
CGT bij GAS bij ouderen versus 0,94 bij jongere mensen, terwijl Chaplin et
al. (2015) rapporteert dat bijna 70% van de ouderen en bijna 60% van de
jongere mensen baat heeft bij CGT. Het is onduidelijk wat in deze studies
precies wordt verstaan onder effect of verbetering, wat CGT precies inhield
en of het überhaupt zinvol is om leeftijdscategorieën te vergelijken, maar
een review van gerandomiseerde studies naar het effect van CGT op GAS
bij ouderen suggereert dat CGT (in een of andere vorm) kan leiden tot
significante verbeteringen (Hendriks et al., 2021).
Aandachtspunten
Hendriks et al. zijn dus optimistisch als het gaat om de effectiviteit van
CGT bij ouderen met GAS, maar noemen daarbij wel twee
aandachtspunten:
1. Executieve functies (het vermogen om je gedrag te sturen door
daarover na te denken) verminderen bij ouderen, waardoor
cognitieve interventies zoals CGT mogelijk minder goed werken.
2. Veranderingen die bij het ouder worden horen (overgang werk-
pensioen, somatische problemen, toenemende eenzaamheid, e.d.)
hebben invloed op de angstbeleving.
De vraag is hoe deze factoren de specifieke mechanismen die aan
angstklachten ten grondslag liggen beïnvloeden en hoe die interfereren
met CGT. Het roept niet alleen de vraag op of CGT effectief is, maar vooral
Aanleiding en probleemstelling
In het Zorgpad Angststoornissen (herziene versie november 2014) wordt
angst gedefinieerd als de subjectieve ervaring van een dreiging waar men
weinig of geen controle over heeft. Er is sprake van een angststoornis, als
de angst het dagelijks leven van een persoon belemmert en die persoon
eraan lijdt. Jaarlijks heeft 10,1% van de Nederlanders tussen de 18 en 24
jaar last van angstklachten en maar liefst 19,6% van de Nederlanders
heeft ooit een angststoornis gehad. Er bestaan verschillende soorten
angststoornis en ook worden verschillende interventies toegepast om de
stoornis te verhelpen. Een veelgebruikte psychologische behandeling
betreft cognitieve gedragstherapie (CGT). Dit essay gaat specifiek over het
gebruik van CGT bij ouderen (gedefinieerd als mensen ouder dan 65) met
een gegeneraliseerde angststoornis (GAS).
Hendriks et al. (2021) stellen vast dat ouderen net zo vaak
angststoornissen hebben als jongere mensen, maar een twee- tot viermaal
groter risico hebben om daar niet voor behandeld te worden. Dit komt
deels doordat angststoornissen bij ouderen minder goed herkend worden
en door stereotiepe vooroordelen over ouderen, maar ook doordat er bij
gebrek aan onderzoek weinig bewijs is voor de effectiviteit van CGT in
deze leeftijdsgroep. De vraag is in hoeverre het ondanks dit toch aan te
bevelen is om ouderen met GAS met CGT te behandelen.
Werkzaamheid van CGT bij ouderen met een angststoornis
Volgens Hendriks et al. (2021) leiden de weinige studies waarin de
effectiviteit van CGT bij ouderen onderzocht is tot verschillende conclusies:
Laidlow (2017) bijvoorbeeld ziet een effect van 0,55 bij de toepassing van
CGT bij GAS bij ouderen versus 0,94 bij jongere mensen, terwijl Chaplin et
al. (2015) rapporteert dat bijna 70% van de ouderen en bijna 60% van de
jongere mensen baat heeft bij CGT. Het is onduidelijk wat in deze studies
precies wordt verstaan onder effect of verbetering, wat CGT precies inhield
en of het überhaupt zinvol is om leeftijdscategorieën te vergelijken, maar
een review van gerandomiseerde studies naar het effect van CGT op GAS
bij ouderen suggereert dat CGT (in een of andere vorm) kan leiden tot
significante verbeteringen (Hendriks et al., 2021).
Aandachtspunten
Hendriks et al. zijn dus optimistisch als het gaat om de effectiviteit van
CGT bij ouderen met GAS, maar noemen daarbij wel twee
aandachtspunten:
1. Executieve functies (het vermogen om je gedrag te sturen door
daarover na te denken) verminderen bij ouderen, waardoor
cognitieve interventies zoals CGT mogelijk minder goed werken.
2. Veranderingen die bij het ouder worden horen (overgang werk-
pensioen, somatische problemen, toenemende eenzaamheid, e.d.)
hebben invloed op de angstbeleving.
De vraag is hoe deze factoren de specifieke mechanismen die aan
angstklachten ten grondslag liggen beïnvloeden en hoe die interfereren
met CGT. Het roept niet alleen de vraag op of CGT effectief is, maar vooral