Bestuursrecht samenvatting
Week 1:
H10: 10.8.
H9.1→ Staat
Drie kenmerken van een staat
- Aanwezigheid van volksgemeenschap, groep mensen die bij elkaar hoort of wil
horen (naties)
- Afgegrensd grondgebied
- 1 orgaan met grootste macht en daardoor bevoegd het volk via uitgevaardigde
regels zijn wil op te leggen.
Staatsapparaat
- Alle organen die namens de staat over gemeenschap beslissingen nemen
- Bezit soevereiniteit→ zowel buiten toe als binnen toe hoogste en machtigste
organisatie
H9.2→ spreiding van macht: Montesquieu
Trias politica
- Wetgevende macht
• Belangrijkste macht
• Samengesteld door leden van de volksgemeenschap
• Maakt de regels
- Uitvoerende macht = besturende macht
- Rechterlijke macht
H9.3→ spreiding van macht: decentralisatie
Staatsmacht niet alleen in handen van centrale overheid maar ook lagere overheden
Niveaus
1. Territoriale spreiding van staatsmacht (territoriale decentralisatie)→ in beginsel
onbepaald aantal bevoegdheden aan lagere overheidsorganen toegekend, wel
uitdrukkelijk gebonden aan afgebakend stuk grond (gemeente en provincies)
2. Functionele spreiding van staatsmacht→ openbare lichamen specifieke
bevoegdheden gegeven om bepaald doel te realiseren, zonder dat het in een
bepaalde grenzen moet worden uitgeoefend (productschap en bedrijfschap)
, 3. Combinatie van beide: het waterschap→ waterstand en alles wat er mee
samenhangt in stand te houden en nodige maatregelen te treffen (functionele)
maar uitsluitend gekoppeld aan bepaalde regio (territoriale)
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
- Bevoegdheden die in eerste instantie door lagere overheden worden uitgeoefend,
kunnen altijd door centrale overheid worden overgenomen
- Hogere overheden oefenen controle uit op lagere overheden→ preventie
toetsing. Bijv. gemeente mag geen belasting heffen zonder goedkeuring van
provincie. Ook heeft regering spontane vernietigingsbevoegdheid→ ieder besluit
van gemeente of provincie kan door regering worden vernietigd bij KB Koninklijk
Besluit
Centrale vraag
- Wie is wetgever?
- Wie is bestuurder?
H9.14→ provincie
Provinciale Staten (PS)
- Vormen vertegenwoordigende orgaan van de provincie
- Om de 4 jaar gekozen door inwoners van ieder van 12 provincies art. 129 lid 1 GW
- Kiesgerechtigd en verkiesbaar kan pas als je bevoegdheden hebt met betrekking
tot Staten-Generaal
- Op centrale niveau vinden verkiezingen plaats op basis van stelsel van
evenredige vertegenwoordiging art. 129 lid 2 GW
- Gezamenlijk kiezen de leden van de PS de eerste kamer
- Aantal leden van PS is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie min.
39 leden en max. 55 leden. Art. 8 provinciewet
- Art. 125 lid 1 GW→ PS aan het hoofd van de provincie (SP heeft evenwicht met de
regering)
Gedeputeerde Staten (GS)
- Dagelijks bestuur van provincie
- Door Provinciale Staten benoemd art. 35 Provinciewet (PS kiest GS)
- Dualistische relatie met PS→ leden van GS kunnen binnen of buiten de leden van
PS worden gekozen en benoemd en als ze eenmaal gedeputeerd zijn kunnen ze
niet lid zijn van PS
- PS staat min of meer los van GS en hebben eigen bevoegdheden → controleren
en ter vertegenwoordiging roepen van leden GS
- Min. 3 leden max. 7 leden art. 35a provinciewet periode van 4 jaar
- CvK deel van GS art. 34 lid 1 provinciewet
,Commissaris van de Koning (CvK)
- Niet gekozen maar benoemd door regering bij Koninklijke Besluit (KB) voor
periode van 6 jaar
- Maakt als voorzitter deel uit van PS (raadgevende stem)
- Voorst lid en voorzitter van GS (stemrecht)
Wetgevende macht op provinciaal niveau
- PS die gerechtigd zijn, wetten uit te vaardigen → verordeningen
- Op grond van PS toegekende bevoegdheid om eigen huishouding te regelen,
omvat alle openbare zaken die over de provincie gaan. → Verordeningen die
daaruit voortkomen worden krachtens autonomie tot stand gebracht art. 143 en
145 Provinciewet
- PS vaardigt verordening ook wel op grond van medebewind→ hogerhand
opdracht wordt verstrekt bepaalde materie binnen bepaalde grenzen te regelen.
Wordt uitgeoefend door PS behalve als aan GS of CvK is toegekend.
Bestuurlijke macht op provinciaal niveau
- Bestuur van provincie ligt bij PS behalve voor zover bestuursmacht aan ander
orgaan is toegekend. Of GS of CvK
H9.15: Gemeente
- Structuur van gemeenten identiek aan provincie
- In plaats van PS de gemeenteraad
- In plaats van GS het college van burgemeester en wethouders (college van B en
W)
- In plaats van Commissaris van de Koning de burgemeester
- Enige verschil is dat gemeenteraad min. 9 leden en max. 45 leden art. 8
gemeenteraad
H9.16: Klassieke grondrechten
- Overheid mag niet betreden
- GW mag alleen betreden worden indien in GW zelf is toegestaan
- Grondrechten niet absolute gelding→ sommige gevallen mogen ze beperkt
worden
- Clausulering→ beperkingen op grondrechten
H9.17: sociale grondrechten
- Actieve overheid
- Overheid heeft als opdracht zich in te zetten bijv. voor woningen zorgen.
H9.19: rechtsbronnen van staatsrecht
, Verdrag
- Bilateraal→ geldend tussen 2 staten
- Multilateraal→ geldend tussen meer dan 2 staten
- Onderhandeling (namens regering) over inhoud van nieuw te sluiten verdrag
- Verdrag moet door regering worden geratificeerd (bevestigen) maar nog niet in
recht
- Art. 91 GW→ eerst moet het door Staten-Generaal (eerste en tweede kamer)
worden goedgekeurd voordat het geratificeerd kan worden.
Normen:
- Instructienormen→ richt zich tot overheid en schrijft voor dat inhoud van
verdragsbepaling binnen bepaalde tijd in nationale wet moet zijn opgenomen.
- Self-executingnormen (normen met directe werking)→ directe werking als ze
zich rechtstreeks tot burger richt.
H9.20→ hiërarchie van regelgeving
Hogere regelingen voor lagere regelingen
- Lagere regelingen onverbindend verklaard
1. Verdrag
2. Grondwet
3. Wet in formele zin
4. Algemene maatregel van bestuur
5. Ministeriële Regeling
6. Provinciale verordening
7. Gemeentelijke verordening
- Verdragsbepaling dient self-executing te zijn (voor burger gericht) anders gaat de
andere toch voor
- Verbod van constitutionele toetsing→ niet in strijd met grondwet
- Verboden wet in formele zin te toetsen aan grondwet
H10.8→ gelede normstelling
- Toepasselijkheid van rechtsregels is niet zomaar in wet te vinden maar in
combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
Redenen
- Aantal situaties waarvoor regeling moet gelden onmogelijk dat formele wetgever
deze allemaal zou kunnen vaststellen
- Niet in staat adequaat te reageren op nieuwe ontwikkelingen die zich voordoen
- Hogerhand bepaalt regels maar uitvoering en beslissingen gebeuren beter lokaal
waar men weet wat er speelt.
Week 1:
H10: 10.8.
H9.1→ Staat
Drie kenmerken van een staat
- Aanwezigheid van volksgemeenschap, groep mensen die bij elkaar hoort of wil
horen (naties)
- Afgegrensd grondgebied
- 1 orgaan met grootste macht en daardoor bevoegd het volk via uitgevaardigde
regels zijn wil op te leggen.
Staatsapparaat
- Alle organen die namens de staat over gemeenschap beslissingen nemen
- Bezit soevereiniteit→ zowel buiten toe als binnen toe hoogste en machtigste
organisatie
H9.2→ spreiding van macht: Montesquieu
Trias politica
- Wetgevende macht
• Belangrijkste macht
• Samengesteld door leden van de volksgemeenschap
• Maakt de regels
- Uitvoerende macht = besturende macht
- Rechterlijke macht
H9.3→ spreiding van macht: decentralisatie
Staatsmacht niet alleen in handen van centrale overheid maar ook lagere overheden
Niveaus
1. Territoriale spreiding van staatsmacht (territoriale decentralisatie)→ in beginsel
onbepaald aantal bevoegdheden aan lagere overheidsorganen toegekend, wel
uitdrukkelijk gebonden aan afgebakend stuk grond (gemeente en provincies)
2. Functionele spreiding van staatsmacht→ openbare lichamen specifieke
bevoegdheden gegeven om bepaald doel te realiseren, zonder dat het in een
bepaalde grenzen moet worden uitgeoefend (productschap en bedrijfschap)
, 3. Combinatie van beide: het waterschap→ waterstand en alles wat er mee
samenhangt in stand te houden en nodige maatregelen te treffen (functionele)
maar uitsluitend gekoppeld aan bepaalde regio (territoriale)
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
- Bevoegdheden die in eerste instantie door lagere overheden worden uitgeoefend,
kunnen altijd door centrale overheid worden overgenomen
- Hogere overheden oefenen controle uit op lagere overheden→ preventie
toetsing. Bijv. gemeente mag geen belasting heffen zonder goedkeuring van
provincie. Ook heeft regering spontane vernietigingsbevoegdheid→ ieder besluit
van gemeente of provincie kan door regering worden vernietigd bij KB Koninklijk
Besluit
Centrale vraag
- Wie is wetgever?
- Wie is bestuurder?
H9.14→ provincie
Provinciale Staten (PS)
- Vormen vertegenwoordigende orgaan van de provincie
- Om de 4 jaar gekozen door inwoners van ieder van 12 provincies art. 129 lid 1 GW
- Kiesgerechtigd en verkiesbaar kan pas als je bevoegdheden hebt met betrekking
tot Staten-Generaal
- Op centrale niveau vinden verkiezingen plaats op basis van stelsel van
evenredige vertegenwoordiging art. 129 lid 2 GW
- Gezamenlijk kiezen de leden van de PS de eerste kamer
- Aantal leden van PS is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie min.
39 leden en max. 55 leden. Art. 8 provinciewet
- Art. 125 lid 1 GW→ PS aan het hoofd van de provincie (SP heeft evenwicht met de
regering)
Gedeputeerde Staten (GS)
- Dagelijks bestuur van provincie
- Door Provinciale Staten benoemd art. 35 Provinciewet (PS kiest GS)
- Dualistische relatie met PS→ leden van GS kunnen binnen of buiten de leden van
PS worden gekozen en benoemd en als ze eenmaal gedeputeerd zijn kunnen ze
niet lid zijn van PS
- PS staat min of meer los van GS en hebben eigen bevoegdheden → controleren
en ter vertegenwoordiging roepen van leden GS
- Min. 3 leden max. 7 leden art. 35a provinciewet periode van 4 jaar
- CvK deel van GS art. 34 lid 1 provinciewet
,Commissaris van de Koning (CvK)
- Niet gekozen maar benoemd door regering bij Koninklijke Besluit (KB) voor
periode van 6 jaar
- Maakt als voorzitter deel uit van PS (raadgevende stem)
- Voorst lid en voorzitter van GS (stemrecht)
Wetgevende macht op provinciaal niveau
- PS die gerechtigd zijn, wetten uit te vaardigen → verordeningen
- Op grond van PS toegekende bevoegdheid om eigen huishouding te regelen,
omvat alle openbare zaken die over de provincie gaan. → Verordeningen die
daaruit voortkomen worden krachtens autonomie tot stand gebracht art. 143 en
145 Provinciewet
- PS vaardigt verordening ook wel op grond van medebewind→ hogerhand
opdracht wordt verstrekt bepaalde materie binnen bepaalde grenzen te regelen.
Wordt uitgeoefend door PS behalve als aan GS of CvK is toegekend.
Bestuurlijke macht op provinciaal niveau
- Bestuur van provincie ligt bij PS behalve voor zover bestuursmacht aan ander
orgaan is toegekend. Of GS of CvK
H9.15: Gemeente
- Structuur van gemeenten identiek aan provincie
- In plaats van PS de gemeenteraad
- In plaats van GS het college van burgemeester en wethouders (college van B en
W)
- In plaats van Commissaris van de Koning de burgemeester
- Enige verschil is dat gemeenteraad min. 9 leden en max. 45 leden art. 8
gemeenteraad
H9.16: Klassieke grondrechten
- Overheid mag niet betreden
- GW mag alleen betreden worden indien in GW zelf is toegestaan
- Grondrechten niet absolute gelding→ sommige gevallen mogen ze beperkt
worden
- Clausulering→ beperkingen op grondrechten
H9.17: sociale grondrechten
- Actieve overheid
- Overheid heeft als opdracht zich in te zetten bijv. voor woningen zorgen.
H9.19: rechtsbronnen van staatsrecht
, Verdrag
- Bilateraal→ geldend tussen 2 staten
- Multilateraal→ geldend tussen meer dan 2 staten
- Onderhandeling (namens regering) over inhoud van nieuw te sluiten verdrag
- Verdrag moet door regering worden geratificeerd (bevestigen) maar nog niet in
recht
- Art. 91 GW→ eerst moet het door Staten-Generaal (eerste en tweede kamer)
worden goedgekeurd voordat het geratificeerd kan worden.
Normen:
- Instructienormen→ richt zich tot overheid en schrijft voor dat inhoud van
verdragsbepaling binnen bepaalde tijd in nationale wet moet zijn opgenomen.
- Self-executingnormen (normen met directe werking)→ directe werking als ze
zich rechtstreeks tot burger richt.
H9.20→ hiërarchie van regelgeving
Hogere regelingen voor lagere regelingen
- Lagere regelingen onverbindend verklaard
1. Verdrag
2. Grondwet
3. Wet in formele zin
4. Algemene maatregel van bestuur
5. Ministeriële Regeling
6. Provinciale verordening
7. Gemeentelijke verordening
- Verdragsbepaling dient self-executing te zijn (voor burger gericht) anders gaat de
andere toch voor
- Verbod van constitutionele toetsing→ niet in strijd met grondwet
- Verboden wet in formele zin te toetsen aan grondwet
H10.8→ gelede normstelling
- Toepasselijkheid van rechtsregels is niet zomaar in wet te vinden maar in
combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
Redenen
- Aantal situaties waarvoor regeling moet gelden onmogelijk dat formele wetgever
deze allemaal zou kunnen vaststellen
- Niet in staat adequaat te reageren op nieuwe ontwikkelingen die zich voordoen
- Hogerhand bepaalt regels maar uitvoering en beslissingen gebeuren beter lokaal
waar men weet wat er speelt.