Hematologie klinische immunologie Les 1 en 2
Technieken voor bloedanalyse:
1. Full blood count (diffje)
2. Bloeduitstrijkje
3. Immunofenotypering (FACS)
4. Genetische technieken
FACS
Met de FSC kan je bepalen wat de grootte is van de cellen.
Met de SSC kan je de complexiteit bepalen van de cellen.
CD3 is specifiek voor T-cellen en CD19 is specifiek voor B-cellen.
CD4 is specifiek voor T-helpercellen en CD8 is speciek voor cytotoxische T-cellen.
Witte bloedcellen herkennen:
Neutrofiel Eosinofiel Basofiel Monocyt Lymfocyt
Lymfocyten zijn klein met een grote kern en deze cellen kunnen niet fagocyteren.
Basofielen zijn iets groter dan lymfocyten en de kern is bijna niet zichtbaar door de granulen, ook
kunnen deze cellen niet fagocyteren.
Monocyten Zijn grote cellen met een boonvormige kern, deze cellen kunnen goedfagocyteren.
Neutrofielen zijn redelijk groot en hebben een lobbige kern, de granulen zijn neutraal gekleurd en
deze cellen kunnen goed fagocyteren.
Eosinofielen zijn te herkennen aan de 2-lobbige kern en de granulen zijn beter zichtbaar dan bij de
neutrofiel maar minder goed zichtbaar dan bij de basofiel, ook deze cellen kunnen wel fagocyteren.
Full blood count (diffje)
Vroeger: Microscopische telling, met een fase contrast microscoop en telkamer, onnauwkeurig en
tijdrovend.
Tegenwoordig: elektronische telling:
- Impedantie methode (spanning)
Door spanningsverschil/signaal worden cellen weergeven.
Bloedcellen geleiden elektrische stroom minder goed dan elektrolytoplossing. Hierdoor
verandert de weerstand die over de elektrolytoplossing staat wanneer er zich cellen in de
oplossing bevinden.
Elk signaal is een cel.
Grootte van het signaal is proportioneel met grootte van de cel.
RBC en WBC zijn ongeveer even groot dus moeilijk onderscheid te maken. Daarom worden
WBC pas geteld naar lysis van alle RBC. Ruime/grove telling methode.
, - Optische methode (lichtverstrooiing)
Licht/laser straal schijnt op de cellen, hierdoor verstrooit het licht richting een kant.
Werkt met een licht/laser straal die schijnt op de celen, hierdoor verstrooit het licht richting
een kant.
Voorwaartse scatterd licht = grootte van de cel
Zijwaarts = zegt iets over de structuur/intracellulaire informatie
Hiermee worden wel tellingen van leukocyten uitgevoerd.
Wat kun je met de scattergram? Neutrofielen zijn groot en hebben granulen dus zitten hoog
in de SSC. Kleine bloedplaatjes liggen/verwacht je links op de X-as.
Haemopoiesis
Dit vind plaats in het beenmerg (rood), de milt, de lever, de lymfeknopen en de thymus.
Beenmerg: Vormen van botweefsel/Hematopoïese
Milt: Onderdeel lymfesysteem, vorming plasmacellen, afbreken rode bloedcellen. Bij sommige
hematologische ziekten of extreem bloedverlies kan bloedaanmaak ook in de milt plaatsvinden.
Lymfeklier: Opslagplaats voor B en T lymfocyten (scannen lymfe, immuunrespons)
Thymus: Rijping T cellen en
verwijderen autoreactieve
klonen
Lever: Speelt een rol in
bloedaanmaak van de
foetus. Bij sommige
hematologische ziekten of
extreem bloedverlies kan
bloedaanmaak ook in de
lever plaatsvinden.
Technieken voor bloedanalyse:
1. Full blood count (diffje)
2. Bloeduitstrijkje
3. Immunofenotypering (FACS)
4. Genetische technieken
FACS
Met de FSC kan je bepalen wat de grootte is van de cellen.
Met de SSC kan je de complexiteit bepalen van de cellen.
CD3 is specifiek voor T-cellen en CD19 is specifiek voor B-cellen.
CD4 is specifiek voor T-helpercellen en CD8 is speciek voor cytotoxische T-cellen.
Witte bloedcellen herkennen:
Neutrofiel Eosinofiel Basofiel Monocyt Lymfocyt
Lymfocyten zijn klein met een grote kern en deze cellen kunnen niet fagocyteren.
Basofielen zijn iets groter dan lymfocyten en de kern is bijna niet zichtbaar door de granulen, ook
kunnen deze cellen niet fagocyteren.
Monocyten Zijn grote cellen met een boonvormige kern, deze cellen kunnen goedfagocyteren.
Neutrofielen zijn redelijk groot en hebben een lobbige kern, de granulen zijn neutraal gekleurd en
deze cellen kunnen goed fagocyteren.
Eosinofielen zijn te herkennen aan de 2-lobbige kern en de granulen zijn beter zichtbaar dan bij de
neutrofiel maar minder goed zichtbaar dan bij de basofiel, ook deze cellen kunnen wel fagocyteren.
Full blood count (diffje)
Vroeger: Microscopische telling, met een fase contrast microscoop en telkamer, onnauwkeurig en
tijdrovend.
Tegenwoordig: elektronische telling:
- Impedantie methode (spanning)
Door spanningsverschil/signaal worden cellen weergeven.
Bloedcellen geleiden elektrische stroom minder goed dan elektrolytoplossing. Hierdoor
verandert de weerstand die over de elektrolytoplossing staat wanneer er zich cellen in de
oplossing bevinden.
Elk signaal is een cel.
Grootte van het signaal is proportioneel met grootte van de cel.
RBC en WBC zijn ongeveer even groot dus moeilijk onderscheid te maken. Daarom worden
WBC pas geteld naar lysis van alle RBC. Ruime/grove telling methode.
, - Optische methode (lichtverstrooiing)
Licht/laser straal schijnt op de cellen, hierdoor verstrooit het licht richting een kant.
Werkt met een licht/laser straal die schijnt op de celen, hierdoor verstrooit het licht richting
een kant.
Voorwaartse scatterd licht = grootte van de cel
Zijwaarts = zegt iets over de structuur/intracellulaire informatie
Hiermee worden wel tellingen van leukocyten uitgevoerd.
Wat kun je met de scattergram? Neutrofielen zijn groot en hebben granulen dus zitten hoog
in de SSC. Kleine bloedplaatjes liggen/verwacht je links op de X-as.
Haemopoiesis
Dit vind plaats in het beenmerg (rood), de milt, de lever, de lymfeknopen en de thymus.
Beenmerg: Vormen van botweefsel/Hematopoïese
Milt: Onderdeel lymfesysteem, vorming plasmacellen, afbreken rode bloedcellen. Bij sommige
hematologische ziekten of extreem bloedverlies kan bloedaanmaak ook in de milt plaatsvinden.
Lymfeklier: Opslagplaats voor B en T lymfocyten (scannen lymfe, immuunrespons)
Thymus: Rijping T cellen en
verwijderen autoreactieve
klonen
Lever: Speelt een rol in
bloedaanmaak van de
foetus. Bij sommige
hematologische ziekten of
extreem bloedverlies kan
bloedaanmaak ook in de
lever plaatsvinden.