Gezondheidspsychologie: onderzoekt hoe biologische, sociale en psychologische factoren
invloed uitoefenen op gezondheid en ziekte. Gezondheidspsychologen gebruiken deze kennis
om ziekte te voorkomen en de gezondheid van mensen te bevorderen. Leefstijl speelt hierbij een
belangrijke rol.
Comorbiditeit: houdt in dat er met een bepaalde ziekte tegelijk ook andere ziektebeelden of
stoornissen kunnen ontstaan.
Gezondheid: het vermogen om je aan te passen en eigen regie te voeren in de aanwezigheid van
fysieke, mentale en sociale uitdagingen in het leven.
Trepanatie: vondsten van schedels waarin ronde gaten geboord waren met behulp van een
bepaald soort instrument.
Micro-organismen: hele kleine levende wezens die ziekten kunnen veroorzaken.
Palliatieve behandeling: behandeling met als doel, in plaats van genezing, comfort en optimale
kwaliteit van leven te creëren door klachten te verminderen. Dit wordt vaak ingezet bij patiënten
die niet meer behandeld kunnen worden.
Meta-analyse: een samenvattingsonderzoek dat een (groot) aantal onderzoeken cijfermatig
samenvat om een sterkere conclusie te kunnen trekken over bepaalde verbanden.
Coping: de manier waarop iemand omgaat met tegenslagen, problemen of spanning.
Sociaaleconomische status (SES): de positie die iemand heeft op de maatschappelijke ladder,
weergegeven door onder andere: opleiding, inkomen, vermogen, werkinvulling.
Biomedisch model (Flexner, 1910): volgens dit model is gezondheid een dynamische balans
tussen drie factoren: het menselijk lichaam, de omgeving en ziektekiemen. Ziekten ontstaan als
er een onbalans ontstaat tussen deze factoren.
Biopsychosociaal model van gezondheid: volgens het biopsychosociaal model bestaat
gezondheid uit drie componenten: een biologische, een psychologische en een sociale
component. Deze opvatting sluit het best aan bij de definitie van gezondheid van de Wereld
Gezondheidsorganisatie.
Review: een kwalitatief onderzoek, waarbij verschillende onderzoeken over hetzelfde onderwerp
worden samengevat en vergeleken om er een overkoepelende conclusie uit te trekken.
Curatie: het behandelen en genezen van zieke mensen.
Preventie: maatregelen om te voorkomen dat mensen ziek worden.
Copingvaardigheden: vaardigheden in het omgaan met tegenslag en stress.
Neuropathie: het afsterven of beschadigd raken van zenuwen.
Zeggenschap: de eigen inbreng van de patiënt bij ziekte, zoals de keuze tussen verschillende
behandelingen of de keuze om een bepaalde behandeling wel of niet in te zetten. Zeggenschap
geeft de patiënt een bepaalde mate van controle bij ziekte.
, Palliatieve zorg: zorg waarbij zoveel mogelijk ingezet wordt op het creëren van kwaliteit van
leven.
Terminale zorg: zorg die vooral nare symptomen in de laatste levensfase bestrijdt.
Rachitis: ook wel Engelse ziekte genoemd, is een aandoening van het skelet. De aandoening
begint in de kinderjaren en veroorzaakt kromme benen.
Maagzweer: een lokale ontsteking en beschadiging aan de binnenzijde van de maag of
twaalfvingerige darm.
Curatie: het behandelen en genezen van zieke mensen.
Preventie: maatregelen om te voorkomen dat mensen ziek worden.
Copingvaardigheden: vaardigheden in het omgaan met tegenslag en stress.
Neuropathie: het afsterven of beschadigd raken van zenuwen.
Zeggenschap: de eigen inbreng van de patiënt bij ziekte, zoals de keuze tussen verschillende
behandelingen of de keuze om een bepaalde behandeling wel of niet in te zetten. Zeggenschap
geeft de patiënt een bepaalde mate van controle bij ziekte.
Palliatieve zorg: zorg waarbij zoveel mogelijk ingezet wordt op het creëren van kwaliteit van
leven.
Terminale zorg: zorg die vooral nare symptomen in de laatste levensfase bestrijdt.
Rachitis: ook wel Engelse ziekte genoemd, is een aandoening van het skelet. De aandoening
begint in de kinderjaren en veroorzaakt kromme benen.
Maagzweer: een lokale ontsteking en beschadiging aan de binnenzijde van de maag of
twaalfvingerige darm.
Health Belief Model (HBM; Rosenstock, 1974): een model dat specifiek is ontworpen om
gezondheidsgedrag te voorspellen. Het HBM onderscheidt factoren die van invloed zijn op de
waarschijnlijkheid dat iemand gezondheidsgedrag gaat vertonen.
Self-efficacy: de eigen effectiviteitsverwachting. Staat voor het geloof dat iemand heeft in zijn
eigen kunnen.
Attitude: de houding die iemand heeft ten opzichte van bepaald gedrag.
Subjectieve norm: de mate waarin je inschat dat bepaald gedrag van je verwacht wordt.
Ambivalentie: twijfel over welke keuze gemaakt moet worden.
Verandertaal: taal die indiceert dat iemand zijn gedrag wil veranderen.
Tinnitus: mensen die lijden aan tinnitus, ook wel oorsuizen genoemd, horen constant geluid
terwijl er geen geluidsbron aanwezig is.
Acceptance and Commitment Therapy (ACT, Hayes): een van de nieuwere vormen van
gedragstherapie. Bij ACT spelen acceptatie en mindfulness een belangrijke rol, terwijl eerder
ontwikkelde gedragstherapieën vaak de nadruk legden op de rechtstreekse verandering van
gedrag, gedachten en emoties.