- Organisatie: doelgericht samenwerkingsverband, geen winst > hogeschool
- Bedrijf: organisatie die goederen/diensten produceren
- Onderneming: profit, ontwikkeld niet altijd eigen producten
Organisatiestromingen:
1. Scientific management: door Taylor in 1900 (tesla/volvo)
> prestatie door tijdsmeting, standaardisatie, prestatiebeloning, scheiding denkers/doeners
2. Bureaucratie: door Weber (gemeente/ziekenhuis/ns/rabobank)
> rationele en doelmatige organisatievorm, regels/procedures, hiërarchie, veel controle
3. Human relations: door Mayo in 1930
> menselijk gedrag centraal, mensen beter presteren door aandacht, samenwerken, motivatie
4. Revisionisme: in 1950 een combo van Taylor en Mayo
> opstand tegen grote bazen
> McGregor: X: neg en Y: pos mensbeeld
> Herzberg: satisfiers (tevreden door autonomie/waardering) en dissatisfiers (ontevreden
door omstandigheden/salaris)
5. Systeembenadering: in ’50 nadruk op omgeving van organisatie
> meer markten, organisaties moeten verbinding zoeken door concurrentie, coördinatie
afdelingen aanscherpen
6. Contingentiebenadering: in ’60 de organisatie vormgeven op basis van omgeving, niet op 1
juiste manier
7. Total quality management & lerende organisatie: in ’80 en ‘90 (toyota)
> meten is weten, efficitent en effectief, organisatie qualitatief verbeteren
> Senge met lerende organisatie (lerend vermogen vergroten, kennis/vaardigheden
ontwikkelen)
- Missie: waarom bestaan we? (primaire functie)
- Visie: wat willen we? (toekomst)
- Kernwaarden: waar geloven we in?
- Strategie: wat moeten we doen? (aanpak)
Concurrentiestrategie van Porter: organisatie moet zich onderscheiden in
1. Costleadership: zo laag mogelijke verkoopprijs > groot publiek, door schaalvergroting
(aldi/action/ikea)
2. Differentiatie: zichzelf onderscheiden door 1/meer punten die markt belangrijk vindt
(klm/apple)
3. Focus: concentreert op klein segment (niche) die zich kan uitgroeien, weinig concurrentie
Groeistrategieën van Ansoff: opties om strategische kloof te dichten
1. Marktpenetratie: bestaande markt, bestaande producten (acties)
2. Marktontwikkeling: bestaande producten, nieuwe markt (exporteren)
3. Productontwikkeling: bestaande markt, nieuwe producten (innovaties, verbeteringen)
4. Diversificatie: nieuwe producten, nieuwe markt
, Modellen van Treacy en Wiersema: kiezen voor 1 klantwaardestrategie
1. Operational excellence: zo laag mogelijke kosten, meer efficiëntie en meer klantgemak
2. Customer intimacy: focus op klantrelatie
3. Product leadership: focus op innovatie en verbetering van bestaande producten
Modellen van Kim en Mauborgne: rode- en blauwe-oceaanstrategie
1. Rode oceaan: harde confrontatie met bestaande concurrenten in bestaande markt
2. Blauwe oceaan: nieuwe markten betreden waar geen concurrentie is
Structuur:
Organisatie-indelingen:
1. F-indeling: indelen op functie (philips)
2. G-indeling: indelen op regio (unilever)
3. M-indeling: indelen op markt (deloitte, coolblue)
4. P-indeling: wat voor type product
5. Span-of-control: omvang, waar heb jij invloed op als organisatie
Organisatietype van Mintzberg: hoe je te werk gaat
1. Eenvoudige structuur: direct toezicht, DIRECTIE, centralisatie (bakker)
2. Machinebureaucratie: standaardisatie werkproces, TECH STAF, horizontale decentralisatie
(toyota)
3. Professionele bureaucratie: standaardisatie kennis/vaardigheden,
PROFESSIONALS/UITVOERDERS, decentralisatie (amphia)
4. Divisiestructuur: standaardisatie output, MIDDENKADERS/DIVISIEMANAGERS, verticale
decentralisatie (electric)
5. Adhocratie: onderlinge afstemming, ONDERSTEUNENDE STAF, selectieve decentralisatie
(google)
- Centralisatie: beslissingen genomen door hoogste kader (apple)
- Decentralisatie: beslissingen genomen op meer plaatsen, ook op lagere niveaus
(volkswagen/bmw)
- Taakverrijking: taken hoger niveau toevoegen
- Taakverruiming: taken gelijk niveau toevoegen
- Taakroulatie: wisselen medewerkers onderling taken uit
Hackmans 5 taakkarakteristieken: