tot attitudeverandering dan sterke externe beloning?
, A. Omdat sterke beloning cognitieve dissonantie vergroot
B. Omdat zwakke rechtvaardiging interne attributie van gedrag
uitlokt
C. Omdat beloning automatische verwerking activeert
D. Omdat mensen sociale normen willen volgen
2. Welke verstoring ondermijnt het bystander-effect het
meest?
A. Verhoogde ambiguïteit van de situatie
B. Anonimiteit van omstanders
C. Expliciete toewijzing van verantwoordelijkheid
D. Toename van groepsgrootte
3. Waarom vergroot unanimiteit conformiteit sterker dan
groepsgrootte alleen?
A. Omdat unanimiteit informationele onzekerheid maximaliseert
B. Omdat afwijking normatief riskanter wordt
C. Omdat grotere groepen meer expertise impliceren
D. Omdat cognitieve belasting toeneemt
4. Wanneer zal de perifere route van overtuiging waarschijnlijk
domineren?
A. Bij hoge betrokkenheid en sterke argumenten
B. Wanneer mensen tijd hebben voor analyse
C. Bij lage motivatie en aanwezigheid van aantrekkelijke bron
D. Wanneer tegenargumenten actief worden gegenereerd
5. Welke fout ontstaat primair door overschatting van interne
oorzaken bij andermans gedrag?
A. Actor-observatorverschil
B. Zelfdienende attributie
C. Fundamentele attributiefout
D. Just-world belief
6. Wat verklaart dat sociale facilitatie prestaties op complexe
taken verslechtert?
A. Verminderde motivatie
B. Verhoogde arousal die dominante respons versterkt
C. Toename van sociale luiheid
D. Verminderde cohesie
7. Waarom kan stereotype threat prestaties direct
verminderen?
A. Door verlaging van intrinsieke motivatie
B. Door activering van negatieve schema’s die werkgeheugen
belasten
2
, C. Door sociale luiheid binnen de groep
D. Door externe attributie van falen
8. Wat is het kernmechanisme achter
het overrechtvaardigingseffect?
A. Verhoogde externe controle
B. Dissonantie tussen zelfbeeld en prestatie
C. Herinterpretatie van motivatie van intern naar extern
D. Verminderde zelfwaardering
9. Wanneer is de kans op groepsdenken het grootst?
A. Lage cohesie en sterke externe kritiek
B. Hoge cohesie en geïsoleerde besluitvorming
C. Grote diversiteit in perspectieven
D. Expliciete aanmoediging van dissent
10. Wat is het functionele effect van priming op schema-
gebruik?
A. Het verhoogt cognitieve dissonantie
B. Het activeert irrelevante informatie
C. Het vergroot toegankelijkheid van gerelateerd concept
D. Het elimineert automatische verwerking
11. Waarom negeren mensen vaak basisfrequenties bij
oordelen?
A. Door sociale wenselijkheid
B. Door representativiteitsheuristiek
C. Door centrale verwerking
D. Door hoge betrokkenheid
12. Wat verklaart de agentische toestand bij
gehoorzaamheid?
A. Verminderde arousal
B. Verhoogde empathie
C. Verplaatsing van verantwoordelijkheid naar autoriteit
D. Interne attributie van gedrag
13. Waarom
verminderen superordinate doelen intergroepsconflict?
A. Ze verhogen competitie
B. Ze versterken ingroupidentiteit
C. Ze vereisen gezamenlijke afhankelijkheid
D. Ze reduceren sociale vergelijking
14. Wat is het primaire mechanisme van zelfhandicapping?
A. Vermijden van sociale vergelijking
B. Beschermen van zelfwaardering bij mogelijk falen
3
, C. Verhogen van intrinsieke motivatie
D. Minimaliseren van cognitieve belasting
15. Wanneer wordt tegenfeitelijk denken adaptief?
A. Wanneer het leidt tot piekeren
B. Wanneer het causale inzichten verschaft voor toekomstig gedrag
C. Wanneer het emoties onderdrukt
D. Wanneer het automatische verwerking versterkt
16. Waarom leidt alcoholmyopie vaker tot agressie?
A. Door verhoging van empathie
B. Door verbreding van aandacht
C. Door focus op provocerende cues en negeren van remmende
signalen
D. Door reductie van fysiologische arousal
17. Wat is de functie van manifestatieregels in sociale
interactie?
A. Universele expressie van emoties waarborgen
B. Cultureel gepaste emotionele expressie reguleren
C. Automatische priming versterken
D. Cognitieve dissonantie verminderen
18. Wanneer voorspelt
de Theory of Planned Behavior gedrag het sterkst?
A. Wanneer attitudes zwak toegankelijk zijn
B. Wanneer gedragsintentie en waargenomen controle hoog zijn
C. Wanneer normen onduidelijk zijn
D. Wanneer gedrag impulsief is
19. Wat vergroot de kans op sociale luiheid?
A. Hoge individuele identificeerbaarheid
B. Kleine groepsgrootte
C. Diffuse verantwoordelijkheid en lage zichtbaarheid van bijdrage
D. Sterke taakbetrokkenheid
20. Waarom leidt empathie volgens de empathie-
altruïsmehypothese tot hulpgedrag ondanks hoge kosten?
A. Omdat het sociale beloning maximaliseert
B. Omdat het negatieve stemming reduceert
C. Omdat het intrinsieke motivatie voor andermans welzijn activeert
D. Omdat het reputatie beschermt
21. Waarom versterkt lage distinctiviteit in
het covariatiemodel een interne attributie?
4