Rechtsstaat
1. Idee en oorsprong van de rechtsstaat
Totalitaire staat: de staat dringt door tot in het persoonlijke leven en bepaalt wat mensen mogen
lezen en zien, waar ze mogen wonen en werken en waarheen ze mogen reizen. Er heerst vaak
veel wantrouwen en achterdocht, zowel tegen de staat als tegen burgers onderling.
• ook vaak een politiestaat: een staat waarin veel (geheim) politietoezicht is, waardoor burgers
continu in angst leven.
1.1 WAT IS EEN RECHTSSTAAT?
Rechtsstaat: een staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen
machtsmisbruik en willekeur van de overheid.
• Vertrouwen en wederkerigheid gaan samen in een rechtsstaat.
- Door vertrouwen en wederkerigheid tussen de staat en de burgers ontstaat rechtszekerheid:
de staat verwacht dat burgers zich aan de wetten houden en belooft zelf zich ook aan de
wetten te houden.
• In Nederland is ook sprake van een sociale rechtsstaat: staat waarin allerlei wetten en
voorzieningen zijn om de welvaart en het welzijn van de burgers te bevorderen.
1.2 HOE IS DE RECHTSSTAAT ONTSTAAN?
• Vanaf de 16de eeuw waren er door de strijd tussen de katholieken en protestanten veel
burgeroorlogen.
• In de 17de eeuw oefenden koningen een bijna onbegrensde macht uit over de maatschappij, als
gevolg hiervan was er veel armoede, uitbatingen en scherpe sociale ongelijkheid.
• Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw kwam er in Europa steeds meer verzet tegen de
onrechtvaardige samenleving.
- Ondernemende burgers waren vanaf de 16de eeuw de wereld in getrokken. Hierdoor
vergaarden ze niet alleen rijkdom, maar ook wetenschappelijke kennis.
- Deze nieuwe kennis kon snel verspreid worden door de drukpers, daardoor zagen mensen in
dat oorlogen, armoede en ellende voortkwamen uit menselijke heerszucht en hebzucht en
dat absolute macht niet rationeel gerechtvaardigd was.
De burgerij geloofde in de kracht van rede: alleen door het gebruik van het gezond verstand
konden mensen uit hun bijgeloof en irrationele angsten treden, ook konden hierdoor de
voorwaarden voor een rechtvaardige en gelukkige samenleving geredeneerd worden.
Vrijheid was een belangrijke voorwaarde voor een gelukkige samenleving, maar hiervoor moest
eerst de macht worden getemd.
Sociaal contract
Alle mensen worden in vrijheid en gelijkheid geboren, maar door het overlevingsinstinct blijft daar
niet veel van over en dreigt er een permanente oorlog van allen tegen allen. Daarom moeten
mensen volgens de contract losofen een sociaal contract sluiten: een contract waarin ze tot
afspraken komen om in natuurlijke vrijheid en gelijkheid te kunnen leven.
De contract losofen vonden dat het de belangrijkste taak van de staat was om de veiligheid van
burgers te garanderen en hun eigendommen te beschermen, de staat zou daarom
geweldsmonopolie (het alleenrecht op het gebruiken van geweld) krijgen. De staat zou wel
gebonden zijn aan de wetten die de burgers zelf opstellen. In een rechtsstaat bepalen de burgers
zelf (van onderaf) de macht die staat (van boven af) mag uitvoeren.
De beginselen van de rechtsstaat
• Beginsel van de grondrechten: alle mensen zijn in gelijkheid en vrijheid geboren en moeten ook
zo samenleven.
• Soevereiniteits- en democratiebeginsel: de mensen sluiten gezamenlijk het sociaal contract.
fi fi
, • Legaliteitsbeginsel: de staat kan het sociaal contract afdwingen, maar de staat is wel gebonden
aan de wetten die de partijen zelf hebben opgesteld.
• Beginsel van de trias politica: de macht van de staat wordt voor de zekerheid begrensd door
interne scheiding van de staatsmacht.
1.3 DE EERSTE RECHTSSTATEN
Verenigde Staten
In 1776 verklaarden de Amerikaanse kolonisten zich onafhankelijk van de Engelse koning. De
nieuwe samenleving werd gebaseerd op vrijheid en gelijkheid en de staatsmacht werd gebonden
aan de grondrechten. De Onafhankelijksheidsverklaring, de grondwet en de Bill of Rights vormen
samen de Amerikaanse constitutie.
Frankrijk
In 1789, in de Franse Revolutie, werd de Franse Republiek uitgeroepen. De Verklaring van de
Rechten van de Mens en Burger (1791) gaf het startsein voor een nieuwe samenleving waarin
mensen het recht op veiligheid en bescherming van eigendom en vrijheid van meningsuiting,
drukpers en godsdienst hadden.
In de Franse Revolutie volgden staatsgrepen en constituties elkaar in hoog tempo op, totdat
Napoleon in 1799 de macht greep en een verlichte dictatuur (de machthebber houdt in zekere
mate rekening met de bevolking) vestigde. Hij veroverde grote delen van Europa en verspreide de
idealen van de rechtsstaat. Na de slag bij Waterloo (1815) werden in Europa de oude
machtsverhoudingen hersteld: koningen kwamen weer aan de macht en de grondrechten van
burgers werden beperkt.
2. Grondwetten en grondrechten
In de preambule staat beschreven welke idealen de samenleving koestert, welke historische
fouten ze niet wil herhalen, welke identiteit ze nastreeft en op welke wijze de staat moet worden
inricht.
De grondwet:
• begrenst de macht van de staat en garandeert daarmee de vrijheden van de burgers.
• legt de fundamentele rechten van burgers vast.
• geeft aan hoe de belangrijkste staatsorganen in grote lijnen georganiseerd zijn.
• drukt de eenheid van de natie uit: binnen het staatsverband vormen alle burgers een eenheid.
2.1 ONTSTAAN VAN DE GRONDWET (ZIE BRON 4)
Onder invloed van de Franse Revolutie en de Franse bezetting kreeg Nederland in 1798 de
Staatsregeling van de Bataafse Republiek, hierin werd bepaald dat iedere burger gelijk is en
onschendbare grondrechten heeft. In 1814, een jaar na de val van Napoleon, werd Nederland een
constitutionele monarchie: een koninkrijk met een grondwet. Maar in de grondwet stond dat de
koning wel soevereine macht had. Er was wel een Staten-Generaal, maar daarin kreeg vooral de
adel zitting. Een van de enige grondrechten voor burgers was godsdienstvrijheid.
In 1848 werd, onder leiding van kamerlid Thorbecke, de koning onschendbaar verklaard. De
ministers kregen de verantwoordelijkheid voor wetgeving en beleid en de grondrechten werden
o.a. uitgebreid met het het recht op vereniging en vergadering. Ook kwam er het censuskiesrecht:
kiesrecht voor directe verkiezingen van de Tweede Kamer voor mannen die een bepaald bedrag
aan belasting betaalden.
Nachtwakersstaat
Volgens Thorbecke hoefde de staat alleen maar de vrijheid van de burgers te dienen en zich niet
te bemoeien met de individuele burgers zelf en ook op economische vlak afzijdig blijven. De 19de
eeuwse staat werd daarom ook wel een nachtwakersstaat genoemd: de staat zet zich
voornamelijk in voor de bewaking van de veiligheid van de burgers en realiseert de noodzakelijke
voorwaarden voor economische groei. Dit nachtwakersstaat zorgde voor sociale onrust: er
ontstonden nieuwe sociale bewegingen en een klassenstrijd (tussen arbeid en kapitaal). De onrust
leidde tot invoering van het algemene mannenkiesrecht (1917) en het vrouwenkiesrecht (1919).
De staat ging ook scholen op godsdienstige/levensbeschouwelijke grondslag bekostigen.
1. Idee en oorsprong van de rechtsstaat
Totalitaire staat: de staat dringt door tot in het persoonlijke leven en bepaalt wat mensen mogen
lezen en zien, waar ze mogen wonen en werken en waarheen ze mogen reizen. Er heerst vaak
veel wantrouwen en achterdocht, zowel tegen de staat als tegen burgers onderling.
• ook vaak een politiestaat: een staat waarin veel (geheim) politietoezicht is, waardoor burgers
continu in angst leven.
1.1 WAT IS EEN RECHTSSTAAT?
Rechtsstaat: een staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen
machtsmisbruik en willekeur van de overheid.
• Vertrouwen en wederkerigheid gaan samen in een rechtsstaat.
- Door vertrouwen en wederkerigheid tussen de staat en de burgers ontstaat rechtszekerheid:
de staat verwacht dat burgers zich aan de wetten houden en belooft zelf zich ook aan de
wetten te houden.
• In Nederland is ook sprake van een sociale rechtsstaat: staat waarin allerlei wetten en
voorzieningen zijn om de welvaart en het welzijn van de burgers te bevorderen.
1.2 HOE IS DE RECHTSSTAAT ONTSTAAN?
• Vanaf de 16de eeuw waren er door de strijd tussen de katholieken en protestanten veel
burgeroorlogen.
• In de 17de eeuw oefenden koningen een bijna onbegrensde macht uit over de maatschappij, als
gevolg hiervan was er veel armoede, uitbatingen en scherpe sociale ongelijkheid.
• Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw kwam er in Europa steeds meer verzet tegen de
onrechtvaardige samenleving.
- Ondernemende burgers waren vanaf de 16de eeuw de wereld in getrokken. Hierdoor
vergaarden ze niet alleen rijkdom, maar ook wetenschappelijke kennis.
- Deze nieuwe kennis kon snel verspreid worden door de drukpers, daardoor zagen mensen in
dat oorlogen, armoede en ellende voortkwamen uit menselijke heerszucht en hebzucht en
dat absolute macht niet rationeel gerechtvaardigd was.
De burgerij geloofde in de kracht van rede: alleen door het gebruik van het gezond verstand
konden mensen uit hun bijgeloof en irrationele angsten treden, ook konden hierdoor de
voorwaarden voor een rechtvaardige en gelukkige samenleving geredeneerd worden.
Vrijheid was een belangrijke voorwaarde voor een gelukkige samenleving, maar hiervoor moest
eerst de macht worden getemd.
Sociaal contract
Alle mensen worden in vrijheid en gelijkheid geboren, maar door het overlevingsinstinct blijft daar
niet veel van over en dreigt er een permanente oorlog van allen tegen allen. Daarom moeten
mensen volgens de contract losofen een sociaal contract sluiten: een contract waarin ze tot
afspraken komen om in natuurlijke vrijheid en gelijkheid te kunnen leven.
De contract losofen vonden dat het de belangrijkste taak van de staat was om de veiligheid van
burgers te garanderen en hun eigendommen te beschermen, de staat zou daarom
geweldsmonopolie (het alleenrecht op het gebruiken van geweld) krijgen. De staat zou wel
gebonden zijn aan de wetten die de burgers zelf opstellen. In een rechtsstaat bepalen de burgers
zelf (van onderaf) de macht die staat (van boven af) mag uitvoeren.
De beginselen van de rechtsstaat
• Beginsel van de grondrechten: alle mensen zijn in gelijkheid en vrijheid geboren en moeten ook
zo samenleven.
• Soevereiniteits- en democratiebeginsel: de mensen sluiten gezamenlijk het sociaal contract.
fi fi
, • Legaliteitsbeginsel: de staat kan het sociaal contract afdwingen, maar de staat is wel gebonden
aan de wetten die de partijen zelf hebben opgesteld.
• Beginsel van de trias politica: de macht van de staat wordt voor de zekerheid begrensd door
interne scheiding van de staatsmacht.
1.3 DE EERSTE RECHTSSTATEN
Verenigde Staten
In 1776 verklaarden de Amerikaanse kolonisten zich onafhankelijk van de Engelse koning. De
nieuwe samenleving werd gebaseerd op vrijheid en gelijkheid en de staatsmacht werd gebonden
aan de grondrechten. De Onafhankelijksheidsverklaring, de grondwet en de Bill of Rights vormen
samen de Amerikaanse constitutie.
Frankrijk
In 1789, in de Franse Revolutie, werd de Franse Republiek uitgeroepen. De Verklaring van de
Rechten van de Mens en Burger (1791) gaf het startsein voor een nieuwe samenleving waarin
mensen het recht op veiligheid en bescherming van eigendom en vrijheid van meningsuiting,
drukpers en godsdienst hadden.
In de Franse Revolutie volgden staatsgrepen en constituties elkaar in hoog tempo op, totdat
Napoleon in 1799 de macht greep en een verlichte dictatuur (de machthebber houdt in zekere
mate rekening met de bevolking) vestigde. Hij veroverde grote delen van Europa en verspreide de
idealen van de rechtsstaat. Na de slag bij Waterloo (1815) werden in Europa de oude
machtsverhoudingen hersteld: koningen kwamen weer aan de macht en de grondrechten van
burgers werden beperkt.
2. Grondwetten en grondrechten
In de preambule staat beschreven welke idealen de samenleving koestert, welke historische
fouten ze niet wil herhalen, welke identiteit ze nastreeft en op welke wijze de staat moet worden
inricht.
De grondwet:
• begrenst de macht van de staat en garandeert daarmee de vrijheden van de burgers.
• legt de fundamentele rechten van burgers vast.
• geeft aan hoe de belangrijkste staatsorganen in grote lijnen georganiseerd zijn.
• drukt de eenheid van de natie uit: binnen het staatsverband vormen alle burgers een eenheid.
2.1 ONTSTAAN VAN DE GRONDWET (ZIE BRON 4)
Onder invloed van de Franse Revolutie en de Franse bezetting kreeg Nederland in 1798 de
Staatsregeling van de Bataafse Republiek, hierin werd bepaald dat iedere burger gelijk is en
onschendbare grondrechten heeft. In 1814, een jaar na de val van Napoleon, werd Nederland een
constitutionele monarchie: een koninkrijk met een grondwet. Maar in de grondwet stond dat de
koning wel soevereine macht had. Er was wel een Staten-Generaal, maar daarin kreeg vooral de
adel zitting. Een van de enige grondrechten voor burgers was godsdienstvrijheid.
In 1848 werd, onder leiding van kamerlid Thorbecke, de koning onschendbaar verklaard. De
ministers kregen de verantwoordelijkheid voor wetgeving en beleid en de grondrechten werden
o.a. uitgebreid met het het recht op vereniging en vergadering. Ook kwam er het censuskiesrecht:
kiesrecht voor directe verkiezingen van de Tweede Kamer voor mannen die een bepaald bedrag
aan belasting betaalden.
Nachtwakersstaat
Volgens Thorbecke hoefde de staat alleen maar de vrijheid van de burgers te dienen en zich niet
te bemoeien met de individuele burgers zelf en ook op economische vlak afzijdig blijven. De 19de
eeuwse staat werd daarom ook wel een nachtwakersstaat genoemd: de staat zet zich
voornamelijk in voor de bewaking van de veiligheid van de burgers en realiseert de noodzakelijke
voorwaarden voor economische groei. Dit nachtwakersstaat zorgde voor sociale onrust: er
ontstonden nieuwe sociale bewegingen en een klassenstrijd (tussen arbeid en kapitaal). De onrust
leidde tot invoering van het algemene mannenkiesrecht (1917) en het vrouwenkiesrecht (1919).
De staat ging ook scholen op godsdienstige/levensbeschouwelijke grondslag bekostigen.