In deze samenvatting wordt ingedoken op de theorie die belangrijk is voor het maken van
het toelatingsexamen van de decentrale selectie voor de bachelor Psychologie aan de
Universiteit van Utrecht. Het eerste thema gaat over het onderdeel methoden en statistiek
en bevat een samenvatting van het hoorcollege en de opdracht. Het tweede thema gaat
over angst en bevat een samenvatting van het hoorcollege en de toegewezen literatuur.
THEMA 1: Methoden & Statistiek
Als voorbeeld wordt depressie als afhankelijke variabele gebruikt. De kenmerken van
depressie zijn:
- Sombere stemming
- Vervlakking van emoties → minder kunnen genieten
- Geen eetlust of juist veel eetlust → gewichtsverandering
- Slecht slapen of juist heel veel slapen
- Vertraagd bewegen of rusteloosheid
- Schuldgevoelens
- Concentratieproblemen
- Vergeetachtigheid
- Besluiteloosheid
- Terugkerende gedachten over de dood
- Angst, stress, piekeren
Het gebruik van methoden en statistiek heeft verschillende doeleinden:
1. Therapeuten blijven up to date (wat heel belangrijk is!)
2. Zelf onderzoek verrichten (op eigen houtje)
3. Onderzoek van andere beoordelen (hiervoor is een kritische blik nodig)
Om een causaal verband oorzaak-gevolgrelatie te stellen wordt eerst het construct
theoretisch niet-meetbaar begrip, zoals depressie gemeten en vervolgens de relatie
verklaard.
1. Construct meten: als eerst wordt er een operationele definitie van het construct
opgesteld. Dit is een omschrijving van de variabele die gemeten gaat worden. Dit is
ook gelijk de afhankelijke variabele. We gaan kijken hoe de beïnvloedende
variabelen hierop inspelen, wat de onafhankelijke variabele verklarende factor wordt
genoemd.
Bijvoorbeeld: afhankelijke variabele; depressie, onafhankelijke variabele;
gedragstherapie. De gedragstherapie heeft invloed op de mate van depressie en niet
andersom.
Betrouwbaarheid & validiteit spelen een belangrijke rol bij M&S omdat ze aantonen of een
onderzoek voldoende betrouwbaar of valide is, en in hoeverre je kunt vertrouwen op de
resultaten van het onderzoek.
● Betrouwbaarheid: het is een meetinstrument en betekent eigenlijk
herhaalbaarheid/consistentie. Voor betrouwbaarheid geldt; onder verschillende
condities (heel warm, heel koud etc.) ontstaan er dezelfde resultaten. De
betrouwbaarheid is een mate waarin het onderzoek vrij is van toevallige meetfouten.
, Om de betrouwbaarheid te meten bestaan er verschillende methoden.
- Test-hertest: dezelfde test meerdere keren herhalen om te kijken of de resultaten
hetzelfde zijn.
- Paralleltest: verschillende (vergelijkbare) testen worden tegelijk afgenomen en
daarna wordt er gekeken of er correlatie meetresultaten liggen dicht in de buurt van
elkaar heerst. Een hoge correlatie betekent dan een hoge betrouwbaarheid.
- Split-halftest: de test wordt in twee delen opgedeeld en afgenomen. Daarna wordt de
correlatie weer bekeken.
- Cronbach’s Alpha: een test wordt slechts een keer afgenomen en zo wordt er een
indicatie van de resultaten opgesteld.
● Validiteit: de mate waarin het onderzoek werkelijk meet wat het zou moeten weten.
De validiteit is de mate waarin het onderzoek vrij is van systematische meetfouten.
De validiteit komt in twee soorten:
- Indruksvaliditeit / face validity: oppervlakkige subjectieve beoordeling van de test.
Wat vindt de expert? worden daadwerkelijk de juiste gegevens gemeten? → checkt
de indruk.
- Inhoudsvaliditeit / content validity: worden alle relevante aspecten van de
operationele definitie voldoende gedekt? → checkt de volledigheid.
De betrouwbaarheid wordt gezien als voorwaarde van validiteit. Een onderzoek kan dus
alleen valide zijn wanneer het sowieso betrouwbaar is.
Een systematische afwijking is een bedreiging voor de validiteit, maar niet voor de
betrouwbaarheid. De resultaten komen consistent op hetzelfde neer, maar er is wel een fout
in de meetgegevens. Toevallige afwijkingen zijn juist een bedreiging voor de
betrouwbaarheid, wanneer deze relatief groot zijn. Dit omdat ze de consistentie van de
meting verkleinen. Ze hebben in mindere mate invloed op de validiteit.
Stappenplan onderzoek opstellen:
1. Formuleer de operationele definitie.
Bijvoorbeeld: depressie. De operationele definitie luidt dan als volgt: de klachten
moeten minimaal twee weken aanhouden, gedurende de meeste dagen, gedurende
het grootste deel van de dag en er moet sprake zijn van serieus leiden.
2. Zet de operationele definitie om in een onderzoek.
Bijvoorbeeld: een vragenlijst met klachten die kunnen duiden op een depressie, met
de mogelijkheden sterk oneens, oneens, neutraal, eens, sterk mee eens.
3. Controleer de betrouwbaarheid en de validiteit.
Bijvoorbeeld: wordt er met de vragen echt gemeten wat er gemeten moet worden?
Laat het onderzoek bepaalde aspecten van een depressie links liggen of juist niet?
Uiteindelijk kun je met een onderzoek bekijken
welke onderdelen wel of geen invloed hebben
op de afhankelijke variabele. Puntenwolken
geven een negatief of positief verband duidelijk
weer.