Pedagogiek themalijn 1.3
Les 1
Onderwijs aan het jonge kind
Dalton: je laat het veel zelf doen door de kinderen, het kind kan meer dan je denkt. Er is vaak een weektaak.
Kindgericht onderwijs:
- Ontwikkeling van het (individuele)kind staat centraal
- Leeromgeving is open
- Kind neemt initiatief, gaat zelf op onderzoek uit
- Didactiek varieert
- (Kern)doelen richtinggevend (indirect)
- Samenhang tussen ontwikkelingsgebieden
- Gaat uit van eisen ontwikkelkracht en belevingswereld van het kind
- Voorbeeld: montessorionderwijs
Programma gericht (regulier onderwijs):
- De leerkracht is initiatiefnemer
- Het programma en de leerstof zijn richtinggevend
- De didactiek ligt min of meer vast
- Leeromgeving voorgestructureerd (door de leerkracht of de methode)
- Het leren is primair (kern)doelgericht
- Cognitieve ontwikkeling heeft prioriteit
- Ontwikkelingsgebieden worden vaak gescheiden benaderd
- Gesloten vorm van onderwijs
Montessori:
- Help mij het delf te doen, alle opvoeding is zelfopvoeding, al handelend verwerft men kennis, vrijheid
is gebondenheid.
- Volwassenen boosdoeners
- Natuurlijke neiging tot zelfontplooiing van de kinderen
- Kinderen redden zichzelf met de materialen die ze aangeboden krijgen
- Het lesmateriaal is veelal gemaakt van natuurlijke materialen en moet de zintuigen prikkelen.
Huishoudelijk materiaal, zintuigelijk materiaal, intellectueel materiaal.
- Drie eigenschappen van het ontwikkelingsmateriaal:
Controle van de fout
Isolatie van de eigenschap
Opklimming van de moeilijkheid
- Visie op ontwikkeling: elk kind ontwikkelt zichzelf, alleen de omgeving voorbereiden. Kind staat
centraal. Nature en nurture
- Doelen voor het kind: opvoeden tot zelfstandigheid. Vrijheid als grootste doel. Vrijheid van werkkeuze,
werktempo & plaats
- Inrichting klas: heterogene groepen. Voorbereide omgeving. Kleedjes. Ontwikkelingsmaterialen.
- Rol van de leraar: begeleidend. Observerend. Respectvolle benadering van het kind. Individuele
begeleiding.
Friedrich fröbel:
- Visie op ontwikkeling: onderwijs moet zich aanpassen aan de kinderlijke natuur en niet andersom.
- Doelen voor het kind: kind bereikt door handelend bezig te zijn zijn/haar bestemming in het leven
- Inrichting klas (1840): kindergarten, kind moet kunnen opgroeien in de natuur
- Introduceerde speelgaven, liedjes, werken in de natuur
- Rol van de leraar: kind eenheid laten ervaren tussen alles wat bestaat
- Leraar/opvoeder begeleidt en stimuleert
- Didactische principes van fröbel:
Geleidelijkheid (logische opbouw_
Tegenstelling
Waarneming
, Bevorderen zelfstandigheid
Ontwikkeling creativiteit en spel
Werken in groepen
Van het geheel maar de delen (3 dimensies/2 dimensies/ platte vlak)
Frobelmaterialen: blokken, vouwbladen, mozaïek, kralenplank, vlechtmatjes, legstokjes en ringen
Ovide decroly:
- Visie op ontwikkeling: school moet aansluiten bij leefwereld van het kind
- Kind staat centraal
- L’hermitage: school voor en door het leven
- Doelen voor het kind: vertrouwen in zichzelf krijgen om oplossingen te bedenken, ontdekkingen te
doen en persoonlijk werk te verrichten
- Inrichting klas: levensecht onderwijs, geen vast rooster i.c.m. educatieve spelen (waarnemingslotto’s,
leren rubriceren, sorteren)
- Rol van de leraar: begeleiden en stimuleren
- Leren in een betekenisvolle context
- Voorloper: thematisch onderwijs
Jonge kinderen hebben:
- De behoefte aan voeding
- De behoefte aan kleding en huisvesting
- De behoefte aan bescherming tegen gevaren en vijanden
- De behoeften om samen te werken en te spelen
Ego- ervaringsgericht onderwijs (1976):
- Visie op ontwikkeling: nature en nurture, kind staat centraal
- Doelen voor het kind: zo hoog mogelijke betrokkenheid en welbevinden bij het kind bereiken. Hoogste
doel: emancipatie.
- Inrichting klas: rijk milieu (=leeromgeving) waar het kind kan ontdekken, ervaren, veel hoeken,
spelmogelijkheden.
- Rol van de leraar (de praktijkprincipes)
Ervaringsgerichte dialoog
Milieuverrijking
Vrij kleuterinitatief stimuleren
- Soorten betrokkenheid:
Exploratieve betrokkenheid: ontdekken, voelen, ruiken, etc.
Ik-vormende betrokkenheid: ontdekken wie je bent en wilt zijn (zelfrealisatie)
Emotionele betrokkenheid: contact maken, jezelf uiten, vrij initiatief geven.
Ogo- ontwikkelingsgericht onderwijs:
- Grondlegger (van praktische uitwerking): Frea Janssen-vos (1988)
- Visie op ontwikkeling: spel als motor van ontwikkeling. Nature and nurture. Kindgericht
- Doelen voor het kind: brede ontwikkeling. In de groepen 1 t/m 4 onder de naam ‘basisontwikkeling’
- Inrichting in de klas: thematisch. Gericht op spel
- Rol van de leraar: de leraar als bemiddelaar tussen betekenissen en bedoelingen. Aanbod, spel,
betekenis voor het kind.
- Motto: betekenisvolle activiteiten leiden tot ontwikkeling
- 3 basisdoelen:
Zelfvertrouwen hebben
Emotioneel vrij zijn
Nieuwsgierig zijn
Les 2
Les 1
Onderwijs aan het jonge kind
Dalton: je laat het veel zelf doen door de kinderen, het kind kan meer dan je denkt. Er is vaak een weektaak.
Kindgericht onderwijs:
- Ontwikkeling van het (individuele)kind staat centraal
- Leeromgeving is open
- Kind neemt initiatief, gaat zelf op onderzoek uit
- Didactiek varieert
- (Kern)doelen richtinggevend (indirect)
- Samenhang tussen ontwikkelingsgebieden
- Gaat uit van eisen ontwikkelkracht en belevingswereld van het kind
- Voorbeeld: montessorionderwijs
Programma gericht (regulier onderwijs):
- De leerkracht is initiatiefnemer
- Het programma en de leerstof zijn richtinggevend
- De didactiek ligt min of meer vast
- Leeromgeving voorgestructureerd (door de leerkracht of de methode)
- Het leren is primair (kern)doelgericht
- Cognitieve ontwikkeling heeft prioriteit
- Ontwikkelingsgebieden worden vaak gescheiden benaderd
- Gesloten vorm van onderwijs
Montessori:
- Help mij het delf te doen, alle opvoeding is zelfopvoeding, al handelend verwerft men kennis, vrijheid
is gebondenheid.
- Volwassenen boosdoeners
- Natuurlijke neiging tot zelfontplooiing van de kinderen
- Kinderen redden zichzelf met de materialen die ze aangeboden krijgen
- Het lesmateriaal is veelal gemaakt van natuurlijke materialen en moet de zintuigen prikkelen.
Huishoudelijk materiaal, zintuigelijk materiaal, intellectueel materiaal.
- Drie eigenschappen van het ontwikkelingsmateriaal:
Controle van de fout
Isolatie van de eigenschap
Opklimming van de moeilijkheid
- Visie op ontwikkeling: elk kind ontwikkelt zichzelf, alleen de omgeving voorbereiden. Kind staat
centraal. Nature en nurture
- Doelen voor het kind: opvoeden tot zelfstandigheid. Vrijheid als grootste doel. Vrijheid van werkkeuze,
werktempo & plaats
- Inrichting klas: heterogene groepen. Voorbereide omgeving. Kleedjes. Ontwikkelingsmaterialen.
- Rol van de leraar: begeleidend. Observerend. Respectvolle benadering van het kind. Individuele
begeleiding.
Friedrich fröbel:
- Visie op ontwikkeling: onderwijs moet zich aanpassen aan de kinderlijke natuur en niet andersom.
- Doelen voor het kind: kind bereikt door handelend bezig te zijn zijn/haar bestemming in het leven
- Inrichting klas (1840): kindergarten, kind moet kunnen opgroeien in de natuur
- Introduceerde speelgaven, liedjes, werken in de natuur
- Rol van de leraar: kind eenheid laten ervaren tussen alles wat bestaat
- Leraar/opvoeder begeleidt en stimuleert
- Didactische principes van fröbel:
Geleidelijkheid (logische opbouw_
Tegenstelling
Waarneming
, Bevorderen zelfstandigheid
Ontwikkeling creativiteit en spel
Werken in groepen
Van het geheel maar de delen (3 dimensies/2 dimensies/ platte vlak)
Frobelmaterialen: blokken, vouwbladen, mozaïek, kralenplank, vlechtmatjes, legstokjes en ringen
Ovide decroly:
- Visie op ontwikkeling: school moet aansluiten bij leefwereld van het kind
- Kind staat centraal
- L’hermitage: school voor en door het leven
- Doelen voor het kind: vertrouwen in zichzelf krijgen om oplossingen te bedenken, ontdekkingen te
doen en persoonlijk werk te verrichten
- Inrichting klas: levensecht onderwijs, geen vast rooster i.c.m. educatieve spelen (waarnemingslotto’s,
leren rubriceren, sorteren)
- Rol van de leraar: begeleiden en stimuleren
- Leren in een betekenisvolle context
- Voorloper: thematisch onderwijs
Jonge kinderen hebben:
- De behoefte aan voeding
- De behoefte aan kleding en huisvesting
- De behoefte aan bescherming tegen gevaren en vijanden
- De behoeften om samen te werken en te spelen
Ego- ervaringsgericht onderwijs (1976):
- Visie op ontwikkeling: nature en nurture, kind staat centraal
- Doelen voor het kind: zo hoog mogelijke betrokkenheid en welbevinden bij het kind bereiken. Hoogste
doel: emancipatie.
- Inrichting klas: rijk milieu (=leeromgeving) waar het kind kan ontdekken, ervaren, veel hoeken,
spelmogelijkheden.
- Rol van de leraar (de praktijkprincipes)
Ervaringsgerichte dialoog
Milieuverrijking
Vrij kleuterinitatief stimuleren
- Soorten betrokkenheid:
Exploratieve betrokkenheid: ontdekken, voelen, ruiken, etc.
Ik-vormende betrokkenheid: ontdekken wie je bent en wilt zijn (zelfrealisatie)
Emotionele betrokkenheid: contact maken, jezelf uiten, vrij initiatief geven.
Ogo- ontwikkelingsgericht onderwijs:
- Grondlegger (van praktische uitwerking): Frea Janssen-vos (1988)
- Visie op ontwikkeling: spel als motor van ontwikkeling. Nature and nurture. Kindgericht
- Doelen voor het kind: brede ontwikkeling. In de groepen 1 t/m 4 onder de naam ‘basisontwikkeling’
- Inrichting in de klas: thematisch. Gericht op spel
- Rol van de leraar: de leraar als bemiddelaar tussen betekenissen en bedoelingen. Aanbod, spel,
betekenis voor het kind.
- Motto: betekenisvolle activiteiten leiden tot ontwikkeling
- 3 basisdoelen:
Zelfvertrouwen hebben
Emotioneel vrij zijn
Nieuwsgierig zijn
Les 2